Poëzierapport recenseert ‘Toen je me ten huwelijk vroeg’

Hoger dan de haag kan ik nooit mikken (verschenen op 30-10-2011 op de website van De Contrabas)

De titel van de tweede bundel van Sylvie MarieToen je me ten huwelijk vroeg zou lezers kunnen afleiden en hen doen vermoeden dat het hier maar een stroperig niemendalletje betreft. Du roman à l’eau de rose.

Is het een keuze van de dichter of van de uitgever? Maar het kale, desolate beeld van een kamerhoek met enkele stopcontacten (een foto van de intrigerende Sarah Westphal) dat op de voorflap van de bundel staat, ontnuchtert meteen. De titel houdt een schijnmanoeuvre in zich: een vorm van ‘chicklit’ krijgen we geenszins aangeboden. Wat we hier lezen is niet de poëzie van

‘… het meisje met de lolly’ of van

‘… het kousenvoetensluipende meisje
dat je met de handen voor je ogen verrast
met een ontbijt.’

Regels die in hun antinomie haast een variant zijn op Paul Rodenko wanneer die in zijn leerdicht ‘Besneeuwd landschap’ de Poolse dichter Juljan Tuwim citeert: ‘laten de lieve, kwijnende vlasblonde meisjes de poëzie gaan haten’.

We hebben hier dus te maken met iemand die het lichaam van het gedicht heeft

‘uitgekookt in steriel water en al wat niet mee kon vliegen liet varen’

Hoezeer deze poëzie ook op het sentiment lijkt geënt, zelden valt het geheel als sentimenteel uit. De dichter komt zelfs in haar verwoording hard uit de hoek.. Maar hoe taai ook, haar frisheid en haar argeloosheid doen verbazen. Met name haar aanstekelijke grote schrijflust waarvan haar gedichten getuigen en de wijze waarop ze zo complexloos ongecompliceerd kan blijven. Haar poëzie is er één die niet om erg veel commentaar vraagt. Waarmee ik niet wil zeggen dat haar poëzie eenduidig of ongelaagd zou zijn, maar dat zij een dichter is die meteen wil aanspreken: geen omfloersing, geen omwegen, geen omhaal. De ‘sensibiliteitsgraad’ blijft hoog: het raakt.

In de negen cycli tellende bundel – waarin de liefderelatie centraal staat – is er wel een moment waar het er toch wel ‘kantje boord’ aan toe gaat. ‘Posities van perfect geluk’ is een cyclus die me wat te idyllisch in de oren klinkt. Althans naar mijn smaak. Andere recensenten ervoeren die cyclus anders. Ik geloof namelijk niet zo in perfect geluk, tenzij in een geluk dat hoe dan ook zeer vluchtig is, bijzonder momentaan en toevallig. Noem dat soort geluk dan maar ‘een schaarse toestand van zorgeloosheid’. Deze cyclus is me wat te wuft.

Nee, ik verkies de Sylvie Marie zoals ze zich bijvoorbeeld ‘positioneert’ in de cyclus ‘Jij de stilte’. Geschreven naar aanleiding van Willy Spillebeens gedichtencyclus ‘Kamer zonder jou’. Hier leeft ze zich in de gevoelswereld van een nog rouwende weduwenaar in. Haar empathie verrast me. De cyclus heeft iets indringends. Hier valt ze pakkender, illusielozer en humaner uit dan waar het over het perfecte geluk gaat.

soms schrijf ik je een brief,
onderlijn en cursiveer wat je
zeker moet onthouden. Ik vergeet
dan dat je, en dat lukt me soms.

het is pas na de laatste ps
dat ik weer weet: waar
moet ik woorden posten?

ik zou het raam kunnen openen,
een vliegtuigje maken, maar
hogen dan de haag
kan ik nooit mikken.

Formeel is het misschien allemaal wat voorspelbaar. Maar ze houdt het allemaal, bijna verbeten, goed in de hand.

Mijn persoonlijke voorkeur in de bundel gaat uit naar de cyclus ‘’s Nachts’. Schimmen, verzuchtingen, afdwalingen, angst voor duisternis stapelen zich hier talig op. Een sprookje wordt in zijn gruwelijkheid nog als gruwelijker ontmaskert. Het mooie derde gedicht uit ‘’s Nachts’ ‘Omdat ik geen vis meer wou zijn’ legde al een hele weg bij vele lezers af.

Ik geef het hier nog even mee. Naar mijn lectuur is het een gedicht over verlangen dat verlangen zou moeten blijven, want vervulling voldoet nooit. Het gedicht bracht me de beroemde, met diepe melancholie doordrenkte regels van Jacob Israël De Haan in herinnering: Die te Amsterdam vaak zei ‘Jeruzalem’ / En naar Jeruzalem gedreven kwam / Hij zegt met een mijmrende stem: ‘Amsterdam, Amsterdam.

omdat ik geen vis meer wou zijn, wierp
ik me ooit uit het water, kreeg benen, ruilde
schubben voor huid en begon met longen
te ademen.

nu kijk ik van op de oever
van het land naar de zee
onderhandelend met de golven of terugkeren
mogelijk is

ik wil ook weten wat dat is:
benen die verdwijnen, verschubbende huid
en ademen dat weer happen wordt. Wat is dat
krampachtige happen toch goddelijk.

de zee zou de zee niet zijn als ze
mij niet schuimbekkend verwelkomde.
ik heb inderdaad naar adem
gehapt.

Gelijklopend aan haar presentie op een podium, getuigen deze teksten van een groot zelfvertrouwen: maar dan een zelfvertrouwen zonder arrogantie en zonder meligheid. Het publiek lijkt in te stemmen: de bundel is aan een tweede druk toe.

Recensent: Alain Delmotte

Toen je me ten huwelijk vroeg – Sylvie Marie, 2011
Uitgeverij Vrijdag, Antwerpen
ISBN 978 94 6001 113 9 – € 15,00

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s