Nice: einde van de cocon

Ik geef het toe, ik was een heel klein beetje in slaap gevallen. Ik heb zo’n jong leventje in mijn armen en de dagen met hem voelen als een cocon. Een cocon van veiligheid, vertedering, liefde en warmte. Die oogjes van hem, dat mondje, die geluidjes die hij maakt en die krampachtige, kronkelende bewegingen: ik smelt. En al is Levi al zes weken, de cocon houdt nog even stand. Gisteren werd hij zelfs weer even groter, want een hele dag heb ik met hem in bed doorgebracht; ik lag met pijn en koorts geveld door een borstontsteking. Een vroedvrouw volgde me op. ’s Avonds belde ik haar nog en ze wist me te vertellen dat ze net geparkeerd was voor het huis van een vrouw van wie de vliezen gebroken waren. “Ohhh, succes!” zei ik verheugd. (“Geef haar een prachtige herinnering”, dacht ik bij mezelf, “dat kunnen jullie.”) En zo verheugd ben ik gisterenavond ook in slaap gevallen. Dit zou een hele mooie nacht worden, bedacht ik, er stond nieuw leven op til. Mijn koorts daalde, ik voelde me beter.

Maar zo is het en zo zal het altijd zijn. Net wanneer je weer je draai gevonden hebt, net wanneer de onrust uit je lijf is geschud, zijn ze daar weer. De nieuwsberichten die ik vanmorgen te verwerken kreeg, deden ogenblikkelijk mijn tranen opwellen. Ik bleef maar scrollen door de pagina’s en las diagonaal het bilan. Beneden, in de woonkamer, zat mijn zoontje van vier te spelen. Naast de baby was hij de enige in huis en heel even voelde ik de neiging om hem te roepen. “Simon! Simon! Moet je horen! Moet je zien!” Ik moest mijn schok en mijn verdriet kunnen delen. Natuurlijk heb ik dat niet gedaan. Hoe zou ik het hem moeten uitleggen? Wat moet ik vertellen over mensen die doen wat ze doen? “Hij was niet zo blij, jongen, hij voelde zich niet goed en is daardoor boos geworden.” Zoiets had ik vast gezegd tegen hem. Over een god had ik allerminst gesproken, over een kalifaat of terroristen ook niet.

En eigenlijk, nu mijn zoon intussen uit gaan spelen is, bedenk ik dat het vast geen verkeerd antwoord was geweest. Want waarom de man heeft gedaan wat hij gedaan heeft, zullen we wellicht nooit weten, hij is dood. Andere mensen kunnen zijn daad opeisen, maar dat zegt helemaal niets. En zelfs al vinden we later nog een afscheidsbrief met daarin een verheerlijking van het kalifaat of de terroristen, altijd zullen zijn beweegredenen teruggebracht kunnen worden tot: hij was niet zo blij, hij voelde zich niet goed en is daardoor boos geworden.

Dat zouden we in gedachten moeten houden. Daar zouden we naar moeten handelen. Echt.

Maar helaas: Charles Michel was vanmorgen weer heel. snel in zijn antwoord: “We mogen niet toegeven, we moeten onze waarden blijven verdedigen. Avec beaucoup de force.” Spijtig dat hij nu eens niets anders had bedacht. Consequent blijven, moet hij hebben gedacht als een ouder die een onwillig kind meester wil zijn, maar ik begin me stilaan vragen te stellen over wat ‘toegeven’ en ‘niet toegeven’ eigenlijk nog betekent. Is ‘toegeven’ dan werkelijk stoppen met zingen, dansen en vrij zijn, zoals ze ons voorspiegelen? Is ‘niet toegeven’ dan werkelijk daarmee doorgaan? Ik geloof het niet. Van de waarden die Charles Michel opsomt: vrijheid, respect en tolerantie beschouw ik ons inmiddels allerminst de verdedigers. Aan de vluchtelingen die al maanden in Hongarije aan de grens worden afgeblokt, moet je het ook niet vragen. Als er iets moet toegegeven worden, is het dit: geef toe dat het scheef zit, geef toe dat er al jaren hele groepen mensen niet bij de maatschappij horen, geef toe dat die zaken allerminst prioritair zijn. We blijven bange, blanke mensen: met een handelaar van F35’s aan tafel zitten is duizend keer gemoedelijker dan met de jongeman uit een banlieu die een net iets donkerdere huidskleur heeft.

De cocon waarin ik me de laatste weken heb gehuld, is weer opengebroken, pijnlijk en bruusk, met een nog gruwelijker geweld dan zelfs een kogel kan aanrichten. Maar ik kon niet anders dan dit neerschrijven. Want het ziet ernaar uit dat het spreekwoord “een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen” al lang niet meer voor ons opgaat.

Of nog dit: “Hoe houd je een vrachtwagen tegen?”, vroeg radiojournalist Johny Vansevenant vanmorgen aan minister Jan Jambon in het kader van de veiligheidsmaatregelen voor 21 juli, onze nationale feestdag. Ik ben het antwoord van Jambon vergeten, maar het mijne weerklonk in mijn hoofd: “Praat eens met de chauffeur. Praat alsjeblieft eens met de chauffeur.”

1012708_10209047672938066_4971957070685835789_n
Of zoals Randall Casaer het ‘zei’ na de aanslagen van 22 maart…

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s