2020: het jaar van de vrede

“We zijn er zo van overtuigd dat vrede onmogelijk is, dat er grappen over worden gemaakt. We vinden het grappig als de winnares van een missverkiezing zegt dat ze wereldvrede wil. Iedereen moet lachten. Niemand gelooft in vrede. Het is een mooi idee – maar niet meer dan dat – het is een idee van lieve oude dametjes. Het heeft geen betekenis. Het zal nooit gebeuren. Want we leven in deze hel en we denken dat het zo moet zijn.
Maar wat als we ernaast zitten?”

Dit zijn mijn woorden niet. Ze zijn van David Lynch, regisseur van de cultserie Twin Peaks en de films The Elephant Man en Mulholland Drive. Hij stelt de vraag in zijn boek: “Hoe vang je de grote vis?” waarin hij een kijkje geeft in zijn artistieke keuken. Hij vertelt over ideeën, over het toeval en ook veel over meditatie. Ik vond het een inspirerend, bemoedigend, bevestigend boek en deze passage trof me erg diep.

Ik kreeg namelijk laatst nog de vraag om een essay te schrijven over vrede en over hoe cultuur daaraan kan bijdragen. Ik betrapte mezelf meteen op bovenstaand cynisme moet ik bekennen.
Maar ik heb het essay geschreven. Het moest in het Engels en het kreeg de titel: “Why poetry and art make people better humans”.

Waarom poëzie en kunst van mensen betere mensen maken, dus.

En echt: er staat geen enkele ironische frase in.

Ik ben ongelooflijk trots dat ik dit kan zeggen.

Dat ik me nu schaam voor mijn bijna instinctieve cynisme heeft ook wat met het toeval te maken. De aankondiging van Vlaams minister van Cultuur Jan Jambon om tot zestig procent te snoeien in de projectsubsidies voor cultuur deed me heel hard nadenken over welke reden de beste was om massaal te gaan steigeren bij dit bericht. Is cultuur een luxeproduct of behoort het tot onze fundamentele bronnen? Ik vond veel redenen die de tweede stelling schragen – je vindt ook nog wat over mijn zoektocht in mijn vorige blog – en heb ze één voor één in het essay neergeschreven. Samen met de hulp van de Engelse dichter Richard Berengarten vertaalde ik de tekst in het Engels.

En ik heb hem opgestuurd naar de opdrachtgever: de organisatie van de dertigste editie van het Internationale Poëziefestival van Medellin in Colombia waar ik in juni als één van de gastdichters mag aantreden. Het is me een ongelooflijke eer want de ambities van het festival zijn niet minder dan een antwoord bieden op de vraag van David Lynch: “Wat als we ernaast zitten?”

Mijn ambitie voor 2020 is om er zoveel mogelijk naast te zitten. Ik wil weer ongegeneerd hopen en trots zijn op wat ik creëer. En van die creaties zult u horen, ik wil er graag zo nu en dan wat over delen hier, ook dat neem ik me voor. Wist u bijvoorbeeld dat ik al zes jaar stilletjes aan een roman schrijf? Lang verhaal, hoor.

En uiteraard, mijn Spaans opfrissen, ook dat staat op de todolijst.

 

De dichters in Medellin dit jaar zie je hieronder. Alle info hier.

Over besparen op cultuur: de afwas zal blij zijn.

Ik wist de laatste dagen eerlijk gezegd niet goed hoe ik moest omgaan met de aanslag op het cultuurbudget. Dat het erg was, ja. Dat het zelfs absurd was. Die dingen kon ik bedenken. Ik bekeek met smaak de cartoons en tekende de petitie, maar ik wist niet hoe ik iets hard kon maken wanneer ik ook net weer lees dat 680.000 mensen in Vlaanderen in armoede leven.

Moet ik niet gewoon dankbaar zijn dat ik af en toe gedichten kan/wil schrijven? En dat ik af en toe eens ergens mag opdraven en daar nu en dan eens een fles wijn of een boekenbon voor krijg? Want wie krijgt met zijn hobby ook wijn en een boekenbon? Met de huidige daling van de projectsubsidies weet ik alvast waar ik me de komende jaren weer op mag verheugen.

Maar neen, ik raakte al snel vast in deze redenering, want ik weet helaas hoe kunst maken echt werkt. Het is de helft (of zelfs meer dan de helft van de tijd) de muren oplopen vooraleer er iets briljantst landt. Jazeker: je een avond wijden aan kunst en de afwas laten staan, levert slechts soms een resultaat op. Je een avond wijden aan de afwas daarentegen, levert je gegarandeerd een opgeruimd aanrecht op.

Stop er dan mee, zou je kunnen zeggen, en ik denk dat de nieuwe Vlaamse macht ook zoiets denkt. Het is in deze tijd zo contraproductief dat het niet meer te rechtvaardigen valt. Maar als ik dan weer bedenk hoe ‘gelukkig’ en ‘rijk’ een geslaagd vers me kan maken, en hoe relatief het geluk van een proper aanrecht is, dan weet ik waarom ik het toch steeds doe, waarom ik toch steeds weer begin te schrijven. Net omdat ik er op die andere avond mee naar buiten kan treden, het kan voorlezen en kan zien wat het ook met anderen doet (en zelfs al is het maar niche, poëzie, mijn proper aanrecht heeft beduidend minder supporters, nog nooit heeft iemand foto’s van mijn aanrecht op posters verspreid). Ik bedenk ook dat vele mensen die kunst en cultuur gebruiken ook de afwas laten staan. Omdat ze die serie willen blijven volgen, omdat ze dat concert of optreden voor geen goud hadden willen missen.

Poëzie schrijven is een vrij goedkope kunstbedrijving, ik heb er weinig materiaal en zelfs tijd voor nodig. Ik ben nu al zes jaar bezig met een roman. Dat het zo lang duurt heeft veel minder met de omslachtigheid van het karwei te maken dan met de tijd die ik niet kan of durf vrijmaken. Maar dan nog: ik kan me niet inbeelden wat het kost wil je een kunstwerk maken uit iets stevigers dan karton, of wil je een muziek- of toneelstuk, film of serie maken waar je nog veel andere mensen voor nodig hebt. Hoe je dat doet, hoe hoog de drempel wel niet is om daar überhaupt aan te beginnen en niet gewoon je afwas blijven doen.

Kunstenaars zijn helden, ze durven dingen maken waarvan ze heel vaak niet weten waaraan ze beginnen. Maar iets drijft hen voort. Iets doet hen toch – uiteindelijk, na veel gezwoeg en getwijfel – uitstijgen boven zichzelf en het levert soms – inderdaad, niet altijd, maar wel heel vaak soms – dingen op die zelfs alle afwasavonden van hun kinderen overleven. Kunst kan je inderdaad niet eten en je kunt er niet mee rijden en toch kan je erin wonen, je eraan verwarmen en is er zelden sprak van een vervaldatum. Ik las in Trouw dat kunst hetzelfde kan doen in de hersenen als datgene wat kijken naar een geliefde met je doet. Het is zo ‘verlichtend’ dat het in deze donkere dagen en met dit soort beleid gewoon niet begrepen kan worden.

Kunst heeft altijd een duwtje in de rug nodig. Of het is mijns inziens geen echte kunst, maar commercie. Kunst maken is altijd uit de comfortzone treden, jezelf blootstellen, diep gaan en iets naar boven halen waarvan je zelf nooit wist dat je het had. En soms betalen de inspanningen zichzelf terug, soms neemt iets onverwachts een vlucht, maar zelfs al doet dat het niet, dan zegt dat niets over het bestaansrecht van die kunst. Eerder het tegendeel is waar, kunst legt net bloot wat nooit door iedereen gedeeld kan worden. Het is daar veel te intiem voor, het kruipt daarvoor veel te dicht op de huid. Een maatschappij – een vrije, verlichte maatschappij – zou deze dingen in essentie moeten ondersteunen, omdat het ons maakt wat we echt zijn: mensen.

En echt, ik weet dat mijn dilemma kunst maken of de afwas doen wat mank loopt, er is zoveel meer risico mee gemoeid dat het zelfs belachelijk is om het zoveel keer in deze tekst te herhalen. Maar in essentie is het wel de praktische, economische onzekerheid die je van het maken of het verspreiden van kunst weerhoudt. Ik besef maar al te goed wat mensen als Jan Moeyaert van de vzw IJsberg jarenlang hebben geïnvesteerd om ons kunstenaars een toch nog steeds zo waardig mogelijk podium te bieden.

En toeval, net terwijl ik dit schrijf, word ik gebeld voor een cultureel project, ergens in januari. Mooie plannen, ik word er meteen enthousiast van, dit kan iets prachtigs worden. Er moet wel wat worden geregeld en er zal wat tijd worden geïnvesteerd, maar over geld wordt niet gepraat, het zal een zondag zijn met bloemen en ik zal ze aannemen.

Zo zal het vaak zijn. We zullen het doen omdat ons bloed kruipt waar het niet gaan kan. Ons hart zal het nog vaak niet over zijn hart kunnen krijgen het niet te doen. Het zal ons uiteindelijk toch nog steeds een eer zijn dat we gebeld worden. Maar we zullen er toch steeds minder vuur in kunnen steken, echt groots zullen we het allemaal ook niet meer moeten maken en het werk aan het aanrecht zal steeds nadrukkelijker zijn recht opeisen

-60% project funding = -60% culture twitteren de kunstenaars vandaag. En dan maken ze een geel vlak van zestig procent van hun boekcover. Ik vind het een sterke. Bij deze.

#thisisourculture #stateofthearts #ourgovernmentiscuttingdownculture

Meander recenseert Houdingen

Van snoeihard tot licht absurd, de schakeringen van mens-zijn

Door: Laura Demelza Bosma

Schermafbeelding 2018-03-26 om 12.12.04

Dit is mijn eerste recensie sinds het overlijden van Rob de Vos, goede vriend en onevenaarbaar Meander-opperhoofd. Het in deze zin weer aan de slag gaan met poëzie is naast een mooie manier om Rob eer aan te doen toch ook weer een taaie confrontatie met het verlies. Sylvie Marie heeft in het verleden jarenlang voor Meander gewerkt en had eveneens een goede verbinding met Rob, wat de symbolische waarde van deze voortzetting van mijn werk bij Meander vergroot. Laat duidelijk zijn:  mijn gevoel van verlies en de betekenis die ik geef aan het feit dat ik nu juist deze bundel mag bespreken, veroorzaken niet dat ik in deze bespreking positief zal discrimineren.

____

Vandaag heb ik de stilte gevonden, om me heen en in mezelf, die nodig was om toegang te vinden tot de bundel Houdingen van Sylvie Marie. Eerder probeerde ik al meerdere malen om ‘tussendoor’ een paar gedichten te lezen, maar op deze manier raakte ik niet in de wereld an sich die Sylvie Marie hier zo fijngevoelig in woorden heeft geschetst.

Achterop de bundel staat: ‘In haar vierde bundel dicht Sylvie Marie over verlies en een nieuw begin en over alle houdingen daartussen’. Om wat voor verlies het precies gaat in deze bundel blijft voor mij onduidelijk. Het woord ‘schetsen’ is hier van toepassing, of ook ‘sfeertekeningen’. Ook de illustratie op de voorzijde is meer een schets dan een uitgewerkte illustratie. De schets roept de vraag op: duwen deze twee mensen elkaar weg of trekken ze zich juist naar elkaar toe? Is het aantrekken of afstoten? De gedichten en personages in Houdingen doen hetzelfde. Ze trekken aan, ze stoten af.  Zelfs de titel draagt die tegenstelling in zich. De eerste betekenis is natuurlijk ‘houdingen’ in de zin van hoe wij ons opstellen ten opzichte van onszelf, de mensen in ons leven, een situatie etc. Grappig genoeg was echter mijn eerste associatie met de titel een andere. Ik dacht direct aan ‘houden’ en daarmee aan de eigenschap van de mens om wat ons lief is te willen houden, niet te willen verliezen. Ook ‘houden van’, liefhebben ligt in het woord zelf besloten en een wat wrange invalshoek zou kunnen zijn: de objectificatie van de geliefden. Is het omdat het moelijk is ons te binden aan het vergankelijke, eenvoudiger de mens te zien als een ding dat we kunnen houden? Zoiets als een hebbeding?

Een van de gedichten te lezen veroorzaakt bij mij meermaals dat ik de impressie krijg dat ik een pilletje heb ingenomen dat op mijn gevoelsleven inspeelt. Ik ervaar dit niet per se als prettig maar wel als interessant. Ik bewonder Sylvie Marie’s vermogen zoveel verschillende geestestoestanden vast te pinnen in woorden die aankomen. Toevallig is er ook een gedicht over pillen: ‘en meer nog dan het doel van die dingen / gaat het om het drukken, zorgvuldig / de beide duimen voorwaarts / en de nagels tegen elkaar‘ (fragment).

Het poëtisch ik maakt, gehecht aan het uitdrukken van pillen, een neurotische indruk. Tegelijk is dit gegeven zo herkenbaar dat ik me plots realiseer hoe neurotisch wij (bijna) allemaal eigenlijk wel niet zijn. Velen zijn in meer of mindere mate gehecht aan of meestal zelfs afhankelijk van ongezonde gedragspatronen. We weten dat iets slecht voor ons is, toch kunnen we niet zonder. Het is een houding die we willen houden, want wat blijft over van ons als we onze houdingen niet meer kunnen controleren? Wat zit dáárachter?

gewond zijn is mijn besluit
het stelpen zal ik latenniet dat ik dweep met bloed, vroeger
kon ik daarin overdrijven

maar als ik sporen nalaat
vind je mij tenminste terug.

Ook in dit korte titelloze gedicht kiest het poëtisch ik er voor gedoseerd bewust incompetent, gewond, door het leven te gaan. Want alleen bloedend gelooft ze, kan ze gevonden worden.  Die benauwende doch warmbloedige en intelligente gekte herinnert me aan het werk van mijn eerste poëtische liefde Jotie ’T Hooft.  Ik denk daarbij: Wie overloopt van wat in hem (haar) loopt moet schrijven.  Het werk van Sylvie Marie is net zo goed als dat van  ’T Hooft een voorbeeld van hoe zo’n intense urgentie de kwaliteit van poëzie ten goede komt.

De bundel telt  drie afdelingen: ‘toestanden’, ‘houdingen’ en ‘uitkomsten’. Onderdeel van de afdeling ‘houdingen’ is het vijfkoppige gedicht ‘werkweek’. Ik vind het prettig dat onderwerp en enscenering hier vrij duidelijk zijn. Een stel gaat naar een chalet ‘want sneeuw vergeeft, je kunt telkens opnieuw beginnen’. Sterke beelden in heldere zinnen vormen ‘werkweek’ tot een filmisch geheel: ‘nu moeten we laarzen aan, nu naar buiten, / nu gaan liggen en kraken, van de hele helling / engelen maken.’ (fragment)

Sommige zinnen komen snoeihard binnen en zelfs als ik het probeer is het moeilijk deze te vergeten. Neem bijvoorbeeld de eerste zin uit dit gedicht:

ik had het moeten weten: zand waarop niet te bouwen valt
deugt ook voor begraven niet. hoeveel lagenbijvoorbeeld zijn er nodig voor jou? ik begraaf je
roep luid vaarwel vaarwel en begraaf je en begraaf je

maar de bergen wandelen hier, worden heuvels,
vlaktes, dalen, vlaktes, heuvels en weer bergen, verderop.

ik heb geprobeerd je te verbergen, maar je zingt jezelf
steeds een weg naar boven, fluit je lippen vrij

en je korrels slaan opnieuw in mijn gezicht.

Het hele gedicht blijft zo sterk, van de eerste regel tot de laatste. En ik maar tot tegen het einde denken dat ‘begraven’ als metafoor was bedoeld, daarom slaan die ‘korrels’ mij ook bijna stoffelijk, zo letterlijk ‘de dood’ in het gezicht.

Er zijn ook lichtvoetigere gedichten, hier een fragment van eentje om in te gaan zitten. Hoewel dat lichte absurdisme vaker voorkomt had ik er graag nóg meer van geproefd in deze bundel.

we zouden kunnen gaan zitten
in een koffiekopjeje weet wel,
een klassiek,
met schuine wanden,
zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.

De afdeling ‘uitkomsten’ bestaat uit een enkel gedicht en is dus eigenlijk een ‘uitkomst’. De uitkomst lijkt een kind te zijn. Een ontroerende wending, waarbij ik denk ‘hier begint het pas, híer wil ik meer van’. Zij schrijft: ‘jij liet niets vallen jij hebt iets neergezet’ alsof zij dat tegen zichzelf zegt. Op deze manier maakt het poëtisch ik een interessante psychologische ontwikkeling door. Deze afsluitende regels zouden tegelijkertijd ook over deze bundel kunnen gaan. Door te dichten zet de schrijfster haar werk neer: zo komt de vallende fier tot staan.

***

Sylvie Marie (1984) publiceert sinds 2005 gedichten in literaire tijdschriften. In 2009 verscheen haar debuut Zonder. Twee jaar later werd de opvolger Toen je me ten huwelijk vroeg genomineerd voor de Herman de Coninckprijs, de J.C. Bloemprijs en de Eline van Haarenprijs. Voor de derde, Altijd een raam, kreeg ze in 2017 de laatste provinciale prijs Letterkunde van de provincie Oost- Vlaanderen. Houdingen is haar vierde bundel.

Hebban.nl recenseert Houdingen

Hebban recensie

Intieme sfeer in grote thema’s

 door Anne Oerlemans  02 augustus 2018

Houdingen

In 2009 debuteerde dichter Sylvie Marie (1984) met Zonder en won ze Humo’s Gouden Aap, waardoor haar gedichten een jaar lang wekelijks in dit blad te lezen waren. De bundel Toen je me ten huwelijk vroeg uit 2011 werd genomineerd voor de Herman de Coninckprijs, de JC Bloemprijs en de Eline van Haarenprijs. In 2017 ontving Marie de Prijs Letterkunde Oost-Vlaanderen voor haar derde dichtbundel Altijd een raam en in 2018 verscheen haar vierde dichtbundel Houdingen bij uitgeverij Vrijdag.

Verschillende gedichten uit Houdingen verschenen eerder onder andere in Hollands MaandbladDe RevisorHet Liegend Konijn en Ooteoote. De gedichten worden op de achterflap omschreven als vertellingen over verlies en een nieuw begin en alle houdingen daar tussenin. De bundel is opgedeeld in drie delen: ‘Toestanden’, ‘Houdingen’ en ‘Uitkomsten’.

“ik wacht tot het allemaal weer begint:
met mijn hoofd tussen de schouders wacht ik,
tussen de vrees van mijn schouderbladen knijp ik
de ogen, streep ik de mond, wacht
en wacht ik.”

De gedichten in Houdingen zijn allemaal intiem, observaties van kleine, onschuldige dingen worden door Sylvie Marie uitvergroot en tot onderwerp gemaakt. Nieuwe associaties steken hierdoor de kop op. Afwachten, wachten op wat komen gaat, Marie laat zien hoe dat eruitziet en zonder de rest van het gedicht kan men in bovenstaande strofe overal op wachten.

“toen ook zaten we tegenover elkaar,
toen ook hadden we de ogen gesloten,
de wereld verknipt terwijl we nog vrij waren,
dansten, zaten en niet voelden dat we zaten,
onze vingers eindeloos naar elkaar gestrekt.”

Die letterlijke houdingen van mensen, de manier waarop mensen hun lichaam houding geven, alleen of ten opzichte van elkaar komt op verschillende manieren terug in de gedichten van Sylvie Marie. Het draagt bij aan de intimiteit van haar poëzie en tegelijk maakt het haar vergelijkingen herkenbaar. De lezer kan zich letterlijk een voorstelling maken van wat beschreven is.

“want sneeuw vergeeft, je kunt telkens opnieuw beginnen”

Omgaan met elkaar, met onverwachte omstandigheden en nabijheid. Een toestand is iets dat je niet kunt veranderen, het enige dat je zelf in de hand hebt is de houding die je daarbij aanneemt, die houding verandert de uitkomst. Tot op zekere hoogte, want sterfelijkheid, onwil, onmacht en onvrijheid blijven altijd bestaan. Hoezeer je ook je best doet om te vergeten en/of te vergeven.

“al vraag ik me af hoeveel vlakker het leven is
zonder de opluchting over dingen die net niet gebeurden.”

De bovengenoemde thema’s van vergeten, vergeven, de sterfelijkheid en het omgaan met de ander maken de dichtbundel van Sylvie Marie erg divers en tegelijk in alles herkenbaar. De gedichten kenmerken zich door kleine observaties verbonden met grote thema’s, zonder te vervallen in ingewikkelde structuren of erudiet woordgebruik. Het ene gedicht leent zich makkelijker voor een interpretatie van de lezer dan het andere, maar de algehele intieme sfeer van Houdingen maakt de bundel meer dan de moeite waard.

Literair Nederland recenseert Houdingen

Het Koplandsiaans minuscule is de kracht in deze bundel

Recensie door André van Dijk
Schermafbeelding 2018-03-26 om 12.12.04
De Vlaamse dichter Sylvie Marie brengt in haar nieuwste bundel Houdingen grote bewegingen van het gemoed terug naar uiterst kleine beschrijvingen. Met de zorgvuldigheid van een horlogemaker weet ze minimale woordconstructies samen te stellen die een wereld van verborgen drama ontsluiten. In het eerste deel ‘Toestanden’ wordt in drie gedichten de basis gelegd voor het verdere verloop. Een niet vrolijkstemmend vers dat begint met: ‘veel vaker dan ik wil, wacht ik op bloed, / slijt er dagen aan (…)’Of het tweede gedicht dat aanvangt met: ‘terwijl we weer vrijen schuift een kleine, / bange rat onder de deken (…)’
Het derde gedicht in het deel ‘Toestanden’ laat de huidige situatie zien: ‘los als vandaag liggen we / almaar vaker. lakens scheuren / langs de drift van onze continenten. (…)’

In metaforische schetsen laat Sylvie Marie een somber beeld zien van een vrouw in een ongelukkige toestand. Vreemd genoeg wordt die somberte nergens echt tastbaar, omdat de dichter zo omfloerst mogelijk haar taal behandelt. Geen grote woorden, geen drang naar heftige conclusies, maar slechts lichte aanrakingen die de tragiek benoemen en die tegelijkertijd bedekken onder een deken van vloeiende regels. Dat maakt de zwaarte eerst draaglijk, gevangen in schoonheid, maar bij herlezing van de verzen komt zij steeds harder binnen.

Het tweede deel ‘Houdingen’ is een uiteenzetting van de verschillende stadia waarin de vrouw zich bevindt. Haar wezen uit zich in een reeks gedichten over eenzaamheid, verlatenheid en het verlangen naar liefde. Met een treurig zelfbeeld als dieptepunt, waarmee ze zichzelf de maat neemt:

ik kan dat niet, de vrouw uithangen,
wijd en traag ben ik, was ik
hout, dan had ik brede groeven, lomp
val ik als omgehakt, ik kraak mijn takken stug.
het is ook altijd winter hier. (…)

Het drama wordt alleen maar groter als er over pillen gedicht gaat worden. Hier wordt de loodzware boodschap ook allereerst verpakt in prachtige zinnetjes die heel gedetailleerd beschrijven hoe zo’n proces in zijn werk gaat. De ernst van de zaak lijkt voor zichzelf te spreken, maar neemt aan het eind van het vers een wending als er iets te nadrukkelijk verwezen wordt naar een andere functie van de pillen:

om kalm te blijven druk ik
geconcentreerd de pillen uit een strip

en meer nog dan het doel van die dingen,
gaat het om het drukken, zorgvuldig,
de beide duimen voorwaarts
en de nagels tegen elkaar.

dan het zilvervlies dat knapt,
het plastic dat ineenstuikt
als een bolle buik tenietgedaan met een veeg
van tafel, brekend water, spanning die lost,
de pil die in mijn palm valt, achteloos
als een kinderhoofdje.

Dood en nieuw leven, beiden door de dichter aangeraakt in een omhulsel van lastige relationele kwesties. Voor een hele bundel is dat iets teveel van het goede, maar Sylvie Marie komt ermee weg omdat haar sprankelende en precieze stijl het lezen tot een bijzonder avontuur maakt. De tragiek mag dan verpakt zijn in té opgelegde metaforen, zinnen als: ‘de nacht is een kofferbak, waarin ik klaarlicht liggen moet’ zijn kleine pareltjes waarin de subtiele alliteratie een groot effect teweegbrengt.

In het laatste deel ‘Uitkomsten’ wordt in één gedicht de zogenaamde uitkomst van alle misère toegelicht. Hier blijft weinig te raden over: goed geschreven maar veel te expliciet verwijzend naar een goede afloop. Terwijl nog geprobeerd wordt de boodschap te verdoezelen, spreekt de verzuchting van de dichter boekdelen: ‘jij liet niets vallen,/ jij hebt iets neergezet.’
Het dichterschap van Sylvie Marie is vooral af te lezen aan de kleinheid van haar verzen, waarbij ze soms de verbeelding te letterlijk laat plaatsvinden. Het haast Koplandsiaanse minuscule – tot in detail een grote beweging beschrijven en daar zo min mogelijk woorden aan vuil maken – is haar grote kracht. Dat wordt benadrukt door het beste gedicht uit deze bundel:

we zouden kunnen gaan zitten
in een koffiekopje.

je weet wel,
een klassiek,
met schuine wanden,
zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.

geen mok, dat niet.
geen grote cilinder
met platte bodem

maar zo’n kleintje,
bol.

misschien dat we daarin
moeten investeren:
van alle kamers kopjes maken.