Trouw recenseert Houdingen

De gedichten van de Vlaamse Sylvie Marie zijn klein en intiem

CULTUUR

Janita Monna 

Janita Monna schrijft wekelijk over poëzie voor Trouw. © Maartje Geels
POËZIE

Al meer dan een decennium draait ze mee in de poëzie: de Vlaamse Sylvie Marie. Vier goed ontvangen bundels staan er inmiddels op haar naam. Ze is gevestigd, zou je kunnen zeggen, al heeft haar werk nog altijd iets jongs.

U krijgt 5 artikelen van Trouw cadeau. Dit is nummer 1 .

Onbeperkt onze artikelen lezen? Digitaal Basis € 2.50 per week.

‘Houdingen’ verscheen onlangs, twee grillig getekende figuren op het omslag. Ze pakken elkaar vast bij het hoofd. Ongeveer zoals Marie beschrijft tegen het eind van de bundel: “het doet deugd wanneer je gewoon / mijn hoofd vastpakt: / je handen als schelpen / om mijn oren – het ruisen horen – / en je duimen aan mijn mond.”

Het is klein en intiem, zoals veel gedichten van Sylvie Marie dicht bij huis blijven. Ze cirkelen rond een ‘ik’ en een ‘je’, die soms ‘we’ worden. In eenvoudige, spreektalige zinnen die voorzichtig bijeengehouden worden door klank, wordt een wereld opgetrokken waarin weinig beweging te bespeuren is, die soms zelfs stilstaat. Zoals in het openingsgedicht van de bundel, met het krachtige begin: ‘veel vaker dan ik wil, wacht ik op bloed’.

Die toestand van stilstand laat Marie haast vertraagd verglijden naar toenadering en uiteindelijk verwijdering.

Toestanden van verlies

‘Houdingen’, de afdeling waar de bundel zijn titel aan ontleent, onderzoekt de ‘toestanden van verlies’. Wat gebeurt er bijvoorbeeld met een vaas als de bloemen verdorren? Wat gebeurt er met de achterblijver? Die kan verlangen naar verzorging, of in een soort apathie verzinken, binnenskamers televisie kijken, zappend langs ‘sitcoms, disney’, zo het harde nieuws op afstand houdend: “soms hoor ik over aanslagen, / soms ontploft er iets, / het is niet mijn kop thee.”

Marie heeft een fijn gevoel voor openingszinnen. Huiveringwekkende: ‘vroeger zag ik moeder vaker varkens de kop in slaan’; beeldende: ‘de nacht is een kofferbak’; intrigerende: ‘en dan ineens de wens de mens / te vinden die als eerste de leugen bracht’.

Maar het lukt niet altijd om de geladenheid van die eerste woorden in de rest van het gedicht vast te houden. En soms, zoals hierboven, is het spel met taal, vertaling en de daaruit vloeiende dubbelzinnigheid, gemakzuchtig. Nu en dan ook ligt de symboliek er bovenop. Dan duiken in een precieze beschrijving van het doordrukken van een pillenstrip, woorden op als ‘bolle buik’, ‘brekend water’, ‘kinderhoofdje’ – wordt hier dan niet zomaar een pilletje geslikt, wordt een zwangerschap voorkomen?

Toch slaagt Marie er op andere momenten in om haar bijna moeiteloos verwoorde houdingen een onverwachte, donkere toon te geven, wordt verlies een toestand die nooit overgaat: “trek terug, / de knieën tot onder de kin, armen / als vleugels eromheen. (…) // er zijn veel mensen die zo jarenlang/ in kelders zitten”.

De ‘ik’ veert uiteindelijk terug, ‘ontwaakt’ en hoort het bloed waarop gewacht werd ruisen, als de zee.

Geslaagd zijn de momenten waarop Marie’s verstilde regels even schuren. Maar dat duurt in ‘Houdingen’ nooit erg lang.

trek terug,

de knieën tot onder de kin, armen

als vleugels eromheen.

in deze houding kun je jezelf wiegen,

gebruik je de voeten optimaal,

rol ze af van hiel naar teen en terug.

er zijn veel mensen die zo jarenlang

in kelders zitten, ze rennen

hun eigen armen in, rollen zich op

als foetussen binnen de wand.

ze worden geboren

en plooien dan weer terug.

Sylvie Marie
Houdingen
Vrijdag; 56 blz. € 16,50

Janita Monna schrijft wekelijks over poëzie voor Trouw

Tzum recenseert Houdingen

Erik-Jan Hummel is erg enthousiast over Houdingen op Tzum. Ik ben er erg erg blij mee!

—-

‘al die fracties samen gillen mijn kleine verzet’

In de bundel Houdingen van Sylvie Marie verzet het ik-personage zich met kleine gebaren. Verwacht van deze dichter geen grote woorden of filosofische inzichten, maar lieve en tedere gedichten. Deze zijn goed te vergelijken met haar gedichten uit eerdere bundels ZonderToen je me ten huwelijk vroeg en Altijd een raam. De taal is bewust klein gehouden: er staan geen zinnen in die vragen uitgeschreeuwd te worden, de klankrijmen zijn niet te opzichtig, maar functioneel, en ook staat in de hele bundel geen hoofdletter. Dat past goed bij de intieme, pretentieloze, maar originele poëzie van Sylvie Marie.

In deze bundel krijgt de ik-figuur nogal wat te verduren, zo verwacht de ik bloed (‘veel vaker dan ik wil, wacht ik op bloed,’), verlangt de ik naar zwakte (‘het onstuitbare verlangen naar een ziekenhuis,/ niet om ziekte, wel om zwakte’) gaat de relatie niet alleen meer over rozen (‘nu// nemen we poses aan/ waarop in documentaires/ de voice-over stokt’) en gaat de ik bijna dood (‘haalde ik voor alle keren dat ik aan de zeis ontsnapte/ een schep aarde uit de grond, ik had een kuil als graf.’). Dat de relatie niet helemaal schokbestendig is blijkt ook uit het kortste gedicht uit de bundel:

en wij maar denken dat we van onbedaarlijke interesse
als lange, luizige kattenharen aan elkaar blijven klitten,
je houdt niet voor mogelijk hoeveel mensen sterven
nog voor ze hun laatste woorden zeggen.

Het beeld van de klittende kattenharen is origineel en een goede samenvatting van haar eerdere bundels: de verwachting altijd bij elkaar te blijven. In deze bundel is die intimiteit niet langer vanzelfsprekend en moet de ik die intimiteit weer terugverdienen, naast alle persoonlijke, bloedige ellende. Dat de ik op bloed wacht, en zich daar weerloos tegen teweerstelt wordt verklaard door het volgende gedicht:

vroeger zag ik moeder vaker varkens de kop in slaan
soms zei ze dat ze de hamer ook voor ons zou halen.

het is – zei ze ook – van groot belang
dat een varken niet weet dat het zal sterven;
gaat het wild tekeer net voor de slag,
dan zuigt het vlees zich vol bloed
en is het reddeloos verloren.

zo heb ik geleerd me in te tomen –
moeder vertelde de dingen op het juiste moment.

vandaag krijg ik geen raad meer mee,
op dit geschrokken vlees landt de hamer
waar hij al jaren naar verlangt.

Als dan ook nog eens het beeld van de mensheid niet vrolijk maakt (‘en dan ineens de wens de mens/ te vinden die als eerste de leugen bracht/ je zou hem willen ompraten, al/ besef je snel: er is geen beginnen aan.// het is dat we zo gemaakt zijn.’ En verderop: ‘je bent maar een popje, strak/ aan de touwen.’), dan lijkt de bundel een depressief geheel te worden. Gelukkig komt de ik in verzet, en is dat verzet, net als de poëzie van de dichter, bewust klein, lief en teder. Zo wordt het bloed bijvoorbeeld positief gebruikt:

gewond zijn is mijn besluit,
het stelpen zal ik laten.

niet dat ik dweep met bloed, vroeger
kon ik daarin overdrijven

maar als ik sporen nalaat,
vind je mij tenminste terug.

Het gevaar bij het recenseren van deze bundel is dat de recensent vrijwel oneindig wil citeren, zo precies zijn de zinnen geformuleerd en zo krachtig zijn de beelden. Zo lief en teder is het personage dat ten tonele wordt gevoerd. Het is lastig om deze bundel te lezen en niet vertederd te raken. Dat maakt Sylvie Marie een sieraad voor de poëzie, die vaker gelezen zou moeten worden. Vooruit, nog een mooi, klein en teder beeld als fractie van ons aller verzet, als intiem voorstel van de dichter aan de lezers:

we zouden kunnen gaan zitten
in een koffiekopje.

je weet wel,
een klassiek,
met schuine wanden,
zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.

geen mok, dat niet.
geen grote cilinder
met platte bodem

maar zo’n kleintje,
bol.

misschien dat we daarin
moeten investeren:
van alle kamers kopjes maken.

Erik-Jan Hummel

Sylvie Marie – Houdingen. Vrijdag, Antwerpen, 56 blz. €16,50.

Omran

je staart en veegt je handen af.
je staart, het is nacht, en plots is het dag.
je knippert met je ogen, veegt je handen af.

je staart, het is nacht, plots dag, je knippert en je voorhoofd jeukt,
je hand gaat automatisch.

je staart, het is nacht, dag en je hand gaat automatisch naar je voorhoofd.
het bloedt. van ergens
komt er bloed en je weet niet vanwaar, je veegt je handen af.

je staart en je knippert, van de dag in de nacht zie je niets,
niet echt.
jeuk is wat je voelt.

je voorhoofd jeukt en je brengt je hand, je pols automatisch,
wrijft met volle palm en vingers over je wang.
er is bloed.

je staart, het moet van ergens komen.

automatisch

veeg je je handen af aan de zitting van je stoel.

allebei.

je veegt allebei je handen af,
al wreef je maar met één hand in je gezicht,
al hangt er maar aan één hand bloed,

aan de andere hangt stof.

 

 

694
(c) Aleppo Media Centre

 

Ik zag de beelden van het jongentje Omran uit Aleppo via CNN international. De video sloeg me in het gezicht. Des te meer omdat het nieuwsanker Kate Bolduan ook duidelijk geëmotioneerd was toen ze de verslaggeving deed. “What strikes me, is: we shed tears, but there are no tears here, he doesn’t cry once, that boy is in total shock.” Ze sloot haar bericht af met: “This is Omran. He’s alive. We wanted you to know.”  

Avondritueel

Mijn vierjarige wil ’s avonds niet meer slapen. Dat is zo sinds zijn broertje werd geboren. Slaap is iets vreemds geworden voor hem, hij gedraagt zich tegenover de slaap als tegenover een vieze, vreemde man. Hij schuilt als het ware achter mijn been voor de slaap. De slaap is geen vriend. De slaap is niet mijn vriend, dat zou hij kunnen zeggen, dat zegt hij wel eens vaker als hij zijn zin niet krijgt. Jij bent niet mijn vriend. Of: papa is niet mijn vriend.

Tot daaraan toe.

Maar de slaap? Alsof hij vreest dat hij ons in de slaap gaat verliezen. Of dat er weer iets bijkomt. Dat zijn gezin, kortom, weer anders is als hij wakker wordt. Net omdat het al zo is gegaan, denkt hij. Hij viel in slaap, lette even niet op, en hop, daar kwam er een broertje bij.

Het is een schat, dat broertje, dat wel. Echt, hij krijgt aaitjes en hij is lief en mooi hoor. Maar hij vertrekt niet meer. Dat broertje gaat niet meer weg. Ook niet door opnieuw te gaan slapen. Neen, met de slaap wordt het niet meer beter. Je kunt niet ‘terugslapen’. Dat ontdekte mijn zoontje al. Terugslapen, in één woord, zoals je ook terugdraaien hebt. Een klok. Het werkt gewoon niet. Er zijn geen hendeltjes aan de slaap.

Er is niets aan de slaap. Geen voorkant, geen achterkant, geen boven en geen onder. De slaap is een blok lucht en zelfs dat nog niet. Je slaat er dwars doorheen terwijl de slaap jou wel overmeestert. De slaap is allesomvattend, laat je je grip op alles verliezen, je lijf, je kamer, je wil, je verstand. Is dat een eerlijk gevecht?

Neen, zegt mijn zoontje, ik wil niet slapen. Of neen, denkt hij, ik zeg eerst dat ik niet kan slapen. Dat is een verschil. Het klinkt hopelozer. En onschuldiger.

Ik kan niet slapen.

Ik moet nog.

Laten we beginnen met… metmetmet pipi!

Of neen, eten. Oh, wat een honger!

Dorst! Een beker water!

Ik wil niet slapen.

Ik kan het niet.

Wat is slaap eigenlijk? Of wie? Wie is slaap? Ik ken de slaap niet. De slaap heeft mij nog niets getoond. Als ik wakker ben, is de slaap verdwenen. En als ik slaap, kan ik niet nadenken over hoe de slaap zich aan mij voordoet. Zo lopen we elkaar telkens mis. De slaap is te groot voor mij. De slaap slaat, de slaap slaat mijn hoofd aan stukken.

En als ik in slaap val, wat betekent dat dan? In slaap vallen. Hoe mensen het zeggen. Waar val ik wel naartoe? Val ik door mijn matras heen? Val ik in de kelder? Oké, ik word wel telkens weer wakker in mijn eigen bed, maar wie kan me garanderen dat ik niet elders ben geweest?

Jij?

Ik kan het niet, ik wil het niet.

De slaap slaat. Ja, op mijn hoofd.

Ik kan niet slapen, ik wil niet slapen.

Slaan doet de slaap. Ik wil het niet, ik wil het niet.

De slaap slaat.

De slaap slaat.

De slaap slaat.

De slaap slaat.

De slaap.

Slaat.

 

Weet je, Mama, ik ga flink zijn.

Ik ga een superklein dutje doen.

Echt, een superkleintje.

En dan.

En dan.

En dan.

Dan.

 

Ja, ik snap hem wel. Uiteindelijk.

Nice: einde van de cocon

Ik geef het toe, ik was een heel klein beetje in slaap gevallen. Ik heb zo’n jong leventje in mijn armen en de dagen met hem voelen als een cocon. Een cocon van veiligheid, vertedering, liefde en warmte. Die oogjes van hem, dat mondje, die geluidjes die hij maakt en die krampachtige, kronkelende bewegingen: ik smelt. En al is Levi al zes weken, de cocon houdt nog even stand. Gisteren werd hij zelfs weer even groter, want een hele dag heb ik met hem in bed doorgebracht; ik lag met pijn en koorts geveld door een borstontsteking. Een vroedvrouw volgde me op. ’s Avonds belde ik haar nog en ze wist me te vertellen dat ze net geparkeerd was voor het huis van een vrouw van wie de vliezen gebroken waren. “Ohhh, succes!” zei ik verheugd. (“Geef haar een prachtige herinnering”, dacht ik bij mezelf, “dat kunnen jullie.”) En zo verheugd ben ik gisterenavond ook in slaap gevallen. Dit zou een hele mooie nacht worden, bedacht ik, er stond nieuw leven op til. Mijn koorts daalde, ik voelde me beter.

Maar zo is het en zo zal het altijd zijn. Net wanneer je weer je draai gevonden hebt, net wanneer de onrust uit je lijf is geschud, zijn ze daar weer. De nieuwsberichten die ik vanmorgen te verwerken kreeg, deden ogenblikkelijk mijn tranen opwellen. Ik bleef maar scrollen door de pagina’s en las diagonaal het bilan. Beneden, in de woonkamer, zat mijn zoontje van vier te spelen. Naast de baby was hij de enige in huis en heel even voelde ik de neiging om hem te roepen. “Simon! Simon! Moet je horen! Moet je zien!” Ik moest mijn schok en mijn verdriet kunnen delen. Natuurlijk heb ik dat niet gedaan. Hoe zou ik het hem moeten uitleggen? Wat moet ik vertellen over mensen die doen wat ze doen? “Hij was niet zo blij, jongen, hij voelde zich niet goed en is daardoor boos geworden.” Zoiets had ik vast gezegd tegen hem. Over een god had ik allerminst gesproken, over een kalifaat of terroristen ook niet.

En eigenlijk, nu mijn zoon intussen uit gaan spelen is, bedenk ik dat het vast geen verkeerd antwoord was geweest. Want waarom de man heeft gedaan wat hij gedaan heeft, zullen we wellicht nooit weten, hij is dood. Andere mensen kunnen zijn daad opeisen, maar dat zegt helemaal niets. En zelfs al vinden we later nog een afscheidsbrief met daarin een verheerlijking van het kalifaat of de terroristen, altijd zullen zijn beweegredenen teruggebracht kunnen worden tot: hij was niet zo blij, hij voelde zich niet goed en is daardoor boos geworden.

Dat zouden we in gedachten moeten houden. Daar zouden we naar moeten handelen. Echt.

Maar helaas: Charles Michel was vanmorgen weer heel. snel in zijn antwoord: “We mogen niet toegeven, we moeten onze waarden blijven verdedigen. Avec beaucoup de force.” Spijtig dat hij nu eens niets anders had bedacht. Consequent blijven, moet hij hebben gedacht als een ouder die een onwillig kind meester wil zijn, maar ik begin me stilaan vragen te stellen over wat ‘toegeven’ en ‘niet toegeven’ eigenlijk nog betekent. Is ‘toegeven’ dan werkelijk stoppen met zingen, dansen en vrij zijn, zoals ze ons voorspiegelen? Is ‘niet toegeven’ dan werkelijk daarmee doorgaan? Ik geloof het niet. Van de waarden die Charles Michel opsomt: vrijheid, respect en tolerantie beschouw ik ons inmiddels allerminst de verdedigers. Aan de vluchtelingen die al maanden in Hongarije aan de grens worden afgeblokt, moet je het ook niet vragen. Als er iets moet toegegeven worden, is het dit: geef toe dat het scheef zit, geef toe dat er al jaren hele groepen mensen niet bij de maatschappij horen, geef toe dat die zaken allerminst prioritair zijn. We blijven bange, blanke mensen: met een handelaar van F35’s aan tafel zitten is duizend keer gemoedelijker dan met de jongeman uit een banlieu die een net iets donkerdere huidskleur heeft.

De cocon waarin ik me de laatste weken heb gehuld, is weer opengebroken, pijnlijk en bruusk, met een nog gruwelijker geweld dan zelfs een kogel kan aanrichten. Maar ik kon niet anders dan dit neerschrijven. Want het ziet ernaar uit dat het spreekwoord “een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen” al lang niet meer voor ons opgaat.

Of nog dit: “Hoe houd je een vrachtwagen tegen?”, vroeg radiojournalist Johny Vansevenant vanmorgen aan minister Jan Jambon in het kader van de veiligheidsmaatregelen voor 21 juli, onze nationale feestdag. Ik ben het antwoord van Jambon vergeten, maar het mijne weerklonk in mijn hoofd: “Praat eens met de chauffeur. Praat alsjeblieft eens met de chauffeur.”

1012708_10209047672938066_4971957070685835789_n
Of zoals Randall Casaer het ‘zei’ na de aanslagen van 22 maart…