Meander recenseert Houdingen

Van snoeihard tot licht absurd, de schakeringen van mens-zijn

Door: Laura Demelza Bosma

Schermafbeelding 2018-03-26 om 12.12.04

Dit is mijn eerste recensie sinds het overlijden van Rob de Vos, goede vriend en onevenaarbaar Meander-opperhoofd. Het in deze zin weer aan de slag gaan met poëzie is naast een mooie manier om Rob eer aan te doen toch ook weer een taaie confrontatie met het verlies. Sylvie Marie heeft in het verleden jarenlang voor Meander gewerkt en had eveneens een goede verbinding met Rob, wat de symbolische waarde van deze voortzetting van mijn werk bij Meander vergroot. Laat duidelijk zijn:  mijn gevoel van verlies en de betekenis die ik geef aan het feit dat ik nu juist deze bundel mag bespreken, veroorzaken niet dat ik in deze bespreking positief zal discrimineren.

____

Vandaag heb ik de stilte gevonden, om me heen en in mezelf, die nodig was om toegang te vinden tot de bundel Houdingen van Sylvie Marie. Eerder probeerde ik al meerdere malen om ‘tussendoor’ een paar gedichten te lezen, maar op deze manier raakte ik niet in de wereld an sich die Sylvie Marie hier zo fijngevoelig in woorden heeft geschetst.

Achterop de bundel staat: ‘In haar vierde bundel dicht Sylvie Marie over verlies en een nieuw begin en over alle houdingen daartussen’. Om wat voor verlies het precies gaat in deze bundel blijft voor mij onduidelijk. Het woord ‘schetsen’ is hier van toepassing, of ook ‘sfeertekeningen’. Ook de illustratie op de voorzijde is meer een schets dan een uitgewerkte illustratie. De schets roept de vraag op: duwen deze twee mensen elkaar weg of trekken ze zich juist naar elkaar toe? Is het aantrekken of afstoten? De gedichten en personages in Houdingen doen hetzelfde. Ze trekken aan, ze stoten af.  Zelfs de titel draagt die tegenstelling in zich. De eerste betekenis is natuurlijk ‘houdingen’ in de zin van hoe wij ons opstellen ten opzichte van onszelf, de mensen in ons leven, een situatie etc. Grappig genoeg was echter mijn eerste associatie met de titel een andere. Ik dacht direct aan ‘houden’ en daarmee aan de eigenschap van de mens om wat ons lief is te willen houden, niet te willen verliezen. Ook ‘houden van’, liefhebben ligt in het woord zelf besloten en een wat wrange invalshoek zou kunnen zijn: de objectificatie van de geliefden. Is het omdat het moelijk is ons te binden aan het vergankelijke, eenvoudiger de mens te zien als een ding dat we kunnen houden? Zoiets als een hebbeding?

Een van de gedichten te lezen veroorzaakt bij mij meermaals dat ik de impressie krijg dat ik een pilletje heb ingenomen dat op mijn gevoelsleven inspeelt. Ik ervaar dit niet per se als prettig maar wel als interessant. Ik bewonder Sylvie Marie’s vermogen zoveel verschillende geestestoestanden vast te pinnen in woorden die aankomen. Toevallig is er ook een gedicht over pillen: ‘en meer nog dan het doel van die dingen / gaat het om het drukken, zorgvuldig / de beide duimen voorwaarts / en de nagels tegen elkaar‘ (fragment).

Het poëtisch ik maakt, gehecht aan het uitdrukken van pillen, een neurotische indruk. Tegelijk is dit gegeven zo herkenbaar dat ik me plots realiseer hoe neurotisch wij (bijna) allemaal eigenlijk wel niet zijn. Velen zijn in meer of mindere mate gehecht aan of meestal zelfs afhankelijk van ongezonde gedragspatronen. We weten dat iets slecht voor ons is, toch kunnen we niet zonder. Het is een houding die we willen houden, want wat blijft over van ons als we onze houdingen niet meer kunnen controleren? Wat zit dáárachter?

gewond zijn is mijn besluit
het stelpen zal ik latenniet dat ik dweep met bloed, vroeger
kon ik daarin overdrijven

maar als ik sporen nalaat
vind je mij tenminste terug.

Ook in dit korte titelloze gedicht kiest het poëtisch ik er voor gedoseerd bewust incompetent, gewond, door het leven te gaan. Want alleen bloedend gelooft ze, kan ze gevonden worden.  Die benauwende doch warmbloedige en intelligente gekte herinnert me aan het werk van mijn eerste poëtische liefde Jotie ’T Hooft.  Ik denk daarbij: Wie overloopt van wat in hem (haar) loopt moet schrijven.  Het werk van Sylvie Marie is net zo goed als dat van  ’T Hooft een voorbeeld van hoe zo’n intense urgentie de kwaliteit van poëzie ten goede komt.

De bundel telt  drie afdelingen: ‘toestanden’, ‘houdingen’ en ‘uitkomsten’. Onderdeel van de afdeling ‘houdingen’ is het vijfkoppige gedicht ‘werkweek’. Ik vind het prettig dat onderwerp en enscenering hier vrij duidelijk zijn. Een stel gaat naar een chalet ‘want sneeuw vergeeft, je kunt telkens opnieuw beginnen’. Sterke beelden in heldere zinnen vormen ‘werkweek’ tot een filmisch geheel: ‘nu moeten we laarzen aan, nu naar buiten, / nu gaan liggen en kraken, van de hele helling / engelen maken.’ (fragment)

Sommige zinnen komen snoeihard binnen en zelfs als ik het probeer is het moeilijk deze te vergeten. Neem bijvoorbeeld de eerste zin uit dit gedicht:

ik had het moeten weten: zand waarop niet te bouwen valt
deugt ook voor begraven niet. hoeveel lagenbijvoorbeeld zijn er nodig voor jou? ik begraaf je
roep luid vaarwel vaarwel en begraaf je en begraaf je

maar de bergen wandelen hier, worden heuvels,
vlaktes, dalen, vlaktes, heuvels en weer bergen, verderop.

ik heb geprobeerd je te verbergen, maar je zingt jezelf
steeds een weg naar boven, fluit je lippen vrij

en je korrels slaan opnieuw in mijn gezicht.

Het hele gedicht blijft zo sterk, van de eerste regel tot de laatste. En ik maar tot tegen het einde denken dat ‘begraven’ als metafoor was bedoeld, daarom slaan die ‘korrels’ mij ook bijna stoffelijk, zo letterlijk ‘de dood’ in het gezicht.

Er zijn ook lichtvoetigere gedichten, hier een fragment van eentje om in te gaan zitten. Hoewel dat lichte absurdisme vaker voorkomt had ik er graag nóg meer van geproefd in deze bundel.

we zouden kunnen gaan zitten
in een koffiekopjeje weet wel,
een klassiek,
met schuine wanden,
zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.

De afdeling ‘uitkomsten’ bestaat uit een enkel gedicht en is dus eigenlijk een ‘uitkomst’. De uitkomst lijkt een kind te zijn. Een ontroerende wending, waarbij ik denk ‘hier begint het pas, híer wil ik meer van’. Zij schrijft: ‘jij liet niets vallen jij hebt iets neergezet’ alsof zij dat tegen zichzelf zegt. Op deze manier maakt het poëtisch ik een interessante psychologische ontwikkeling door. Deze afsluitende regels zouden tegelijkertijd ook over deze bundel kunnen gaan. Door te dichten zet de schrijfster haar werk neer: zo komt de vallende fier tot staan.

***

Sylvie Marie (1984) publiceert sinds 2005 gedichten in literaire tijdschriften. In 2009 verscheen haar debuut Zonder. Twee jaar later werd de opvolger Toen je me ten huwelijk vroeg genomineerd voor de Herman de Coninckprijs, de J.C. Bloemprijs en de Eline van Haarenprijs. Voor de derde, Altijd een raam, kreeg ze in 2017 de laatste provinciale prijs Letterkunde van de provincie Oost- Vlaanderen. Houdingen is haar vierde bundel.

Hebban.nl recenseert Houdingen

Hebban recensie

Intieme sfeer in grote thema’s

 door Anne Oerlemans  02 augustus 2018

Houdingen

In 2009 debuteerde dichter Sylvie Marie (1984) met Zonder en won ze Humo’s Gouden Aap, waardoor haar gedichten een jaar lang wekelijks in dit blad te lezen waren. De bundel Toen je me ten huwelijk vroeg uit 2011 werd genomineerd voor de Herman de Coninckprijs, de JC Bloemprijs en de Eline van Haarenprijs. In 2017 ontving Marie de Prijs Letterkunde Oost-Vlaanderen voor haar derde dichtbundel Altijd een raam en in 2018 verscheen haar vierde dichtbundel Houdingen bij uitgeverij Vrijdag.

Verschillende gedichten uit Houdingen verschenen eerder onder andere in Hollands MaandbladDe RevisorHet Liegend Konijn en Ooteoote. De gedichten worden op de achterflap omschreven als vertellingen over verlies en een nieuw begin en alle houdingen daar tussenin. De bundel is opgedeeld in drie delen: ‘Toestanden’, ‘Houdingen’ en ‘Uitkomsten’.

“ik wacht tot het allemaal weer begint:
met mijn hoofd tussen de schouders wacht ik,
tussen de vrees van mijn schouderbladen knijp ik
de ogen, streep ik de mond, wacht
en wacht ik.”

De gedichten in Houdingen zijn allemaal intiem, observaties van kleine, onschuldige dingen worden door Sylvie Marie uitvergroot en tot onderwerp gemaakt. Nieuwe associaties steken hierdoor de kop op. Afwachten, wachten op wat komen gaat, Marie laat zien hoe dat eruitziet en zonder de rest van het gedicht kan men in bovenstaande strofe overal op wachten.

“toen ook zaten we tegenover elkaar,
toen ook hadden we de ogen gesloten,
de wereld verknipt terwijl we nog vrij waren,
dansten, zaten en niet voelden dat we zaten,
onze vingers eindeloos naar elkaar gestrekt.”

Die letterlijke houdingen van mensen, de manier waarop mensen hun lichaam houding geven, alleen of ten opzichte van elkaar komt op verschillende manieren terug in de gedichten van Sylvie Marie. Het draagt bij aan de intimiteit van haar poëzie en tegelijk maakt het haar vergelijkingen herkenbaar. De lezer kan zich letterlijk een voorstelling maken van wat beschreven is.

“want sneeuw vergeeft, je kunt telkens opnieuw beginnen”

Omgaan met elkaar, met onverwachte omstandigheden en nabijheid. Een toestand is iets dat je niet kunt veranderen, het enige dat je zelf in de hand hebt is de houding die je daarbij aanneemt, die houding verandert de uitkomst. Tot op zekere hoogte, want sterfelijkheid, onwil, onmacht en onvrijheid blijven altijd bestaan. Hoezeer je ook je best doet om te vergeten en/of te vergeven.

“al vraag ik me af hoeveel vlakker het leven is
zonder de opluchting over dingen die net niet gebeurden.”

De bovengenoemde thema’s van vergeten, vergeven, de sterfelijkheid en het omgaan met de ander maken de dichtbundel van Sylvie Marie erg divers en tegelijk in alles herkenbaar. De gedichten kenmerken zich door kleine observaties verbonden met grote thema’s, zonder te vervallen in ingewikkelde structuren of erudiet woordgebruik. Het ene gedicht leent zich makkelijker voor een interpretatie van de lezer dan het andere, maar de algehele intieme sfeer van Houdingen maakt de bundel meer dan de moeite waard.

Literair Nederland recenseert Houdingen

Het Koplandsiaans minuscule is de kracht in deze bundel

Recensie door André van Dijk
Schermafbeelding 2018-03-26 om 12.12.04
De Vlaamse dichter Sylvie Marie brengt in haar nieuwste bundel Houdingen grote bewegingen van het gemoed terug naar uiterst kleine beschrijvingen. Met de zorgvuldigheid van een horlogemaker weet ze minimale woordconstructies samen te stellen die een wereld van verborgen drama ontsluiten. In het eerste deel ‘Toestanden’ wordt in drie gedichten de basis gelegd voor het verdere verloop. Een niet vrolijkstemmend vers dat begint met: ‘veel vaker dan ik wil, wacht ik op bloed, / slijt er dagen aan (…)’Of het tweede gedicht dat aanvangt met: ‘terwijl we weer vrijen schuift een kleine, / bange rat onder de deken (…)’
Het derde gedicht in het deel ‘Toestanden’ laat de huidige situatie zien: ‘los als vandaag liggen we / almaar vaker. lakens scheuren / langs de drift van onze continenten. (…)’

In metaforische schetsen laat Sylvie Marie een somber beeld zien van een vrouw in een ongelukkige toestand. Vreemd genoeg wordt die somberte nergens echt tastbaar, omdat de dichter zo omfloerst mogelijk haar taal behandelt. Geen grote woorden, geen drang naar heftige conclusies, maar slechts lichte aanrakingen die de tragiek benoemen en die tegelijkertijd bedekken onder een deken van vloeiende regels. Dat maakt de zwaarte eerst draaglijk, gevangen in schoonheid, maar bij herlezing van de verzen komt zij steeds harder binnen.

Het tweede deel ‘Houdingen’ is een uiteenzetting van de verschillende stadia waarin de vrouw zich bevindt. Haar wezen uit zich in een reeks gedichten over eenzaamheid, verlatenheid en het verlangen naar liefde. Met een treurig zelfbeeld als dieptepunt, waarmee ze zichzelf de maat neemt:

ik kan dat niet, de vrouw uithangen,
wijd en traag ben ik, was ik
hout, dan had ik brede groeven, lomp
val ik als omgehakt, ik kraak mijn takken stug.
het is ook altijd winter hier. (…)

Het drama wordt alleen maar groter als er over pillen gedicht gaat worden. Hier wordt de loodzware boodschap ook allereerst verpakt in prachtige zinnetjes die heel gedetailleerd beschrijven hoe zo’n proces in zijn werk gaat. De ernst van de zaak lijkt voor zichzelf te spreken, maar neemt aan het eind van het vers een wending als er iets te nadrukkelijk verwezen wordt naar een andere functie van de pillen:

om kalm te blijven druk ik
geconcentreerd de pillen uit een strip

en meer nog dan het doel van die dingen,
gaat het om het drukken, zorgvuldig,
de beide duimen voorwaarts
en de nagels tegen elkaar.

dan het zilvervlies dat knapt,
het plastic dat ineenstuikt
als een bolle buik tenietgedaan met een veeg
van tafel, brekend water, spanning die lost,
de pil die in mijn palm valt, achteloos
als een kinderhoofdje.

Dood en nieuw leven, beiden door de dichter aangeraakt in een omhulsel van lastige relationele kwesties. Voor een hele bundel is dat iets teveel van het goede, maar Sylvie Marie komt ermee weg omdat haar sprankelende en precieze stijl het lezen tot een bijzonder avontuur maakt. De tragiek mag dan verpakt zijn in té opgelegde metaforen, zinnen als: ‘de nacht is een kofferbak, waarin ik klaarlicht liggen moet’ zijn kleine pareltjes waarin de subtiele alliteratie een groot effect teweegbrengt.

In het laatste deel ‘Uitkomsten’ wordt in één gedicht de zogenaamde uitkomst van alle misère toegelicht. Hier blijft weinig te raden over: goed geschreven maar veel te expliciet verwijzend naar een goede afloop. Terwijl nog geprobeerd wordt de boodschap te verdoezelen, spreekt de verzuchting van de dichter boekdelen: ‘jij liet niets vallen,/ jij hebt iets neergezet.’
Het dichterschap van Sylvie Marie is vooral af te lezen aan de kleinheid van haar verzen, waarbij ze soms de verbeelding te letterlijk laat plaatsvinden. Het haast Koplandsiaanse minuscule – tot in detail een grote beweging beschrijven en daar zo min mogelijk woorden aan vuil maken – is haar grote kracht. Dat wordt benadrukt door het beste gedicht uit deze bundel:

we zouden kunnen gaan zitten
in een koffiekopje.

je weet wel,
een klassiek,
met schuine wanden,
zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.

geen mok, dat niet.
geen grote cilinder
met platte bodem

maar zo’n kleintje,
bol.

misschien dat we daarin
moeten investeren:
van alle kamers kopjes maken.

Ze noemen dit met de deur in huis vallen, maar…

Je kunt vanaf september – en dat is dus echt over anderhalve dag al – weer wekelijks schrijfles bij me volgen!

En dat in:

  • Tielt op maandagavond
  • Gent op woensdagavond
  • Ieper op zaterdagvoormiddag

Er valt ongelooflijk veel over deze opleiding te vertellen. Dat die niet voor doetjes is, bijvoorbeeld, maar voor dat soort dat, na succesvol uit een brandend huis te zijn geëvacueerd, terug naar binnen rent om er de boekencollectie te redden. Grote kans dat dit type na enig aarzelen dan toch maar ook zijn eigen vervloekte manuscript uit het vuur sleept.

Voel jij je aangesproken? Durf je het aan om wekelijks zelfgeschreven teksten te delen, feedback te geven op die van anderen en vooral veel boeken en schrijvers te verafgoden? Stuur dan een mail naar sylviemarie@gmail.com met in het onderwerp Tielt, Gent of Ieper. Dan stuur ik jou alle details. Het wordt gegarandeerd spectaculair.

 

Schermafbeelding 2018-08-30 om 14.33.33.png

Trouw recenseert Houdingen

De gedichten van de Vlaamse Sylvie Marie zijn klein en intiem

CULTUUR

Janita Monna 

Janita Monna schrijft wekelijk over poëzie voor Trouw. © Maartje Geels
POËZIE

Al meer dan een decennium draait ze mee in de poëzie: de Vlaamse Sylvie Marie. Vier goed ontvangen bundels staan er inmiddels op haar naam. Ze is gevestigd, zou je kunnen zeggen, al heeft haar werk nog altijd iets jongs.

U krijgt 5 artikelen van Trouw cadeau. Dit is nummer 1 .

Onbeperkt onze artikelen lezen? Digitaal Basis € 2.50 per week.

‘Houdingen’ verscheen onlangs, twee grillig getekende figuren op het omslag. Ze pakken elkaar vast bij het hoofd. Ongeveer zoals Marie beschrijft tegen het eind van de bundel: “het doet deugd wanneer je gewoon / mijn hoofd vastpakt: / je handen als schelpen / om mijn oren – het ruisen horen – / en je duimen aan mijn mond.”

Het is klein en intiem, zoals veel gedichten van Sylvie Marie dicht bij huis blijven. Ze cirkelen rond een ‘ik’ en een ‘je’, die soms ‘we’ worden. In eenvoudige, spreektalige zinnen die voorzichtig bijeengehouden worden door klank, wordt een wereld opgetrokken waarin weinig beweging te bespeuren is, die soms zelfs stilstaat. Zoals in het openingsgedicht van de bundel, met het krachtige begin: ‘veel vaker dan ik wil, wacht ik op bloed’.

Die toestand van stilstand laat Marie haast vertraagd verglijden naar toenadering en uiteindelijk verwijdering.

Toestanden van verlies

‘Houdingen’, de afdeling waar de bundel zijn titel aan ontleent, onderzoekt de ‘toestanden van verlies’. Wat gebeurt er bijvoorbeeld met een vaas als de bloemen verdorren? Wat gebeurt er met de achterblijver? Die kan verlangen naar verzorging, of in een soort apathie verzinken, binnenskamers televisie kijken, zappend langs ‘sitcoms, disney’, zo het harde nieuws op afstand houdend: “soms hoor ik over aanslagen, / soms ontploft er iets, / het is niet mijn kop thee.”

Marie heeft een fijn gevoel voor openingszinnen. Huiveringwekkende: ‘vroeger zag ik moeder vaker varkens de kop in slaan’; beeldende: ‘de nacht is een kofferbak’; intrigerende: ‘en dan ineens de wens de mens / te vinden die als eerste de leugen bracht’.

Maar het lukt niet altijd om de geladenheid van die eerste woorden in de rest van het gedicht vast te houden. En soms, zoals hierboven, is het spel met taal, vertaling en de daaruit vloeiende dubbelzinnigheid, gemakzuchtig. Nu en dan ook ligt de symboliek er bovenop. Dan duiken in een precieze beschrijving van het doordrukken van een pillenstrip, woorden op als ‘bolle buik’, ‘brekend water’, ‘kinderhoofdje’ – wordt hier dan niet zomaar een pilletje geslikt, wordt een zwangerschap voorkomen?

Toch slaagt Marie er op andere momenten in om haar bijna moeiteloos verwoorde houdingen een onverwachte, donkere toon te geven, wordt verlies een toestand die nooit overgaat: “trek terug, / de knieën tot onder de kin, armen / als vleugels eromheen. (…) // er zijn veel mensen die zo jarenlang/ in kelders zitten”.

De ‘ik’ veert uiteindelijk terug, ‘ontwaakt’ en hoort het bloed waarop gewacht werd ruisen, als de zee.

Geslaagd zijn de momenten waarop Marie’s verstilde regels even schuren. Maar dat duurt in ‘Houdingen’ nooit erg lang.

trek terug,

de knieën tot onder de kin, armen

als vleugels eromheen.

in deze houding kun je jezelf wiegen,

gebruik je de voeten optimaal,

rol ze af van hiel naar teen en terug.

er zijn veel mensen die zo jarenlang

in kelders zitten, ze rennen

hun eigen armen in, rollen zich op

als foetussen binnen de wand.

ze worden geboren

en plooien dan weer terug.

Sylvie Marie
Houdingen
Vrijdag; 56 blz. € 16,50

Janita Monna schrijft wekelijks over poëzie voor Trouw

Tzum recenseert Houdingen

Erik-Jan Hummel is erg enthousiast over Houdingen op Tzum. Ik ben er erg erg blij mee!

—-

‘al die fracties samen gillen mijn kleine verzet’

In de bundel Houdingen van Sylvie Marie verzet het ik-personage zich met kleine gebaren. Verwacht van deze dichter geen grote woorden of filosofische inzichten, maar lieve en tedere gedichten. Deze zijn goed te vergelijken met haar gedichten uit eerdere bundels ZonderToen je me ten huwelijk vroeg en Altijd een raam. De taal is bewust klein gehouden: er staan geen zinnen in die vragen uitgeschreeuwd te worden, de klankrijmen zijn niet te opzichtig, maar functioneel, en ook staat in de hele bundel geen hoofdletter. Dat past goed bij de intieme, pretentieloze, maar originele poëzie van Sylvie Marie.

In deze bundel krijgt de ik-figuur nogal wat te verduren, zo verwacht de ik bloed (‘veel vaker dan ik wil, wacht ik op bloed,’), verlangt de ik naar zwakte (‘het onstuitbare verlangen naar een ziekenhuis,/ niet om ziekte, wel om zwakte’) gaat de relatie niet alleen meer over rozen (‘nu// nemen we poses aan/ waarop in documentaires/ de voice-over stokt’) en gaat de ik bijna dood (‘haalde ik voor alle keren dat ik aan de zeis ontsnapte/ een schep aarde uit de grond, ik had een kuil als graf.’). Dat de relatie niet helemaal schokbestendig is blijkt ook uit het kortste gedicht uit de bundel:

en wij maar denken dat we van onbedaarlijke interesse
als lange, luizige kattenharen aan elkaar blijven klitten,
je houdt niet voor mogelijk hoeveel mensen sterven
nog voor ze hun laatste woorden zeggen.

Het beeld van de klittende kattenharen is origineel en een goede samenvatting van haar eerdere bundels: de verwachting altijd bij elkaar te blijven. In deze bundel is die intimiteit niet langer vanzelfsprekend en moet de ik die intimiteit weer terugverdienen, naast alle persoonlijke, bloedige ellende. Dat de ik op bloed wacht, en zich daar weerloos tegen teweerstelt wordt verklaard door het volgende gedicht:

vroeger zag ik moeder vaker varkens de kop in slaan
soms zei ze dat ze de hamer ook voor ons zou halen.

het is – zei ze ook – van groot belang
dat een varken niet weet dat het zal sterven;
gaat het wild tekeer net voor de slag,
dan zuigt het vlees zich vol bloed
en is het reddeloos verloren.

zo heb ik geleerd me in te tomen –
moeder vertelde de dingen op het juiste moment.

vandaag krijg ik geen raad meer mee,
op dit geschrokken vlees landt de hamer
waar hij al jaren naar verlangt.

Als dan ook nog eens het beeld van de mensheid niet vrolijk maakt (‘en dan ineens de wens de mens/ te vinden die als eerste de leugen bracht/ je zou hem willen ompraten, al/ besef je snel: er is geen beginnen aan.// het is dat we zo gemaakt zijn.’ En verderop: ‘je bent maar een popje, strak/ aan de touwen.’), dan lijkt de bundel een depressief geheel te worden. Gelukkig komt de ik in verzet, en is dat verzet, net als de poëzie van de dichter, bewust klein, lief en teder. Zo wordt het bloed bijvoorbeeld positief gebruikt:

gewond zijn is mijn besluit,
het stelpen zal ik laten.

niet dat ik dweep met bloed, vroeger
kon ik daarin overdrijven

maar als ik sporen nalaat,
vind je mij tenminste terug.

Het gevaar bij het recenseren van deze bundel is dat de recensent vrijwel oneindig wil citeren, zo precies zijn de zinnen geformuleerd en zo krachtig zijn de beelden. Zo lief en teder is het personage dat ten tonele wordt gevoerd. Het is lastig om deze bundel te lezen en niet vertederd te raken. Dat maakt Sylvie Marie een sieraad voor de poëzie, die vaker gelezen zou moeten worden. Vooruit, nog een mooi, klein en teder beeld als fractie van ons aller verzet, als intiem voorstel van de dichter aan de lezers:

we zouden kunnen gaan zitten
in een koffiekopje.

je weet wel,
een klassiek,
met schuine wanden,
zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.

geen mok, dat niet.
geen grote cilinder
met platte bodem

maar zo’n kleintje,
bol.

misschien dat we daarin
moeten investeren:
van alle kamers kopjes maken.

Erik-Jan Hummel

Sylvie Marie – Houdingen. Vrijdag, Antwerpen, 56 blz. €16,50.