Tzum recenseert Houdingen

Erik-Jan Hummel is erg enthousiast over Houdingen op Tzum. Ik ben er erg erg blij mee!

—-

‘al die fracties samen gillen mijn kleine verzet’

In de bundel Houdingen van Sylvie Marie verzet het ik-personage zich met kleine gebaren. Verwacht van deze dichter geen grote woorden of filosofische inzichten, maar lieve en tedere gedichten. Deze zijn goed te vergelijken met haar gedichten uit eerdere bundels ZonderToen je me ten huwelijk vroeg en Altijd een raam. De taal is bewust klein gehouden: er staan geen zinnen in die vragen uitgeschreeuwd te worden, de klankrijmen zijn niet te opzichtig, maar functioneel, en ook staat in de hele bundel geen hoofdletter. Dat past goed bij de intieme, pretentieloze, maar originele poëzie van Sylvie Marie.

In deze bundel krijgt de ik-figuur nogal wat te verduren, zo verwacht de ik bloed (‘veel vaker dan ik wil, wacht ik op bloed,’), verlangt de ik naar zwakte (‘het onstuitbare verlangen naar een ziekenhuis,/ niet om ziekte, wel om zwakte’) gaat de relatie niet alleen meer over rozen (‘nu// nemen we poses aan/ waarop in documentaires/ de voice-over stokt’) en gaat de ik bijna dood (‘haalde ik voor alle keren dat ik aan de zeis ontsnapte/ een schep aarde uit de grond, ik had een kuil als graf.’). Dat de relatie niet helemaal schokbestendig is blijkt ook uit het kortste gedicht uit de bundel:

en wij maar denken dat we van onbedaarlijke interesse
als lange, luizige kattenharen aan elkaar blijven klitten,
je houdt niet voor mogelijk hoeveel mensen sterven
nog voor ze hun laatste woorden zeggen.

Het beeld van de klittende kattenharen is origineel en een goede samenvatting van haar eerdere bundels: de verwachting altijd bij elkaar te blijven. In deze bundel is die intimiteit niet langer vanzelfsprekend en moet de ik die intimiteit weer terugverdienen, naast alle persoonlijke, bloedige ellende. Dat de ik op bloed wacht, en zich daar weerloos tegen teweerstelt wordt verklaard door het volgende gedicht:

vroeger zag ik moeder vaker varkens de kop in slaan
soms zei ze dat ze de hamer ook voor ons zou halen.

het is – zei ze ook – van groot belang
dat een varken niet weet dat het zal sterven;
gaat het wild tekeer net voor de slag,
dan zuigt het vlees zich vol bloed
en is het reddeloos verloren.

zo heb ik geleerd me in te tomen –
moeder vertelde de dingen op het juiste moment.

vandaag krijg ik geen raad meer mee,
op dit geschrokken vlees landt de hamer
waar hij al jaren naar verlangt.

Als dan ook nog eens het beeld van de mensheid niet vrolijk maakt (‘en dan ineens de wens de mens/ te vinden die als eerste de leugen bracht/ je zou hem willen ompraten, al/ besef je snel: er is geen beginnen aan.// het is dat we zo gemaakt zijn.’ En verderop: ‘je bent maar een popje, strak/ aan de touwen.’), dan lijkt de bundel een depressief geheel te worden. Gelukkig komt de ik in verzet, en is dat verzet, net als de poëzie van de dichter, bewust klein, lief en teder. Zo wordt het bloed bijvoorbeeld positief gebruikt:

gewond zijn is mijn besluit,
het stelpen zal ik laten.

niet dat ik dweep met bloed, vroeger
kon ik daarin overdrijven

maar als ik sporen nalaat,
vind je mij tenminste terug.

Het gevaar bij het recenseren van deze bundel is dat de recensent vrijwel oneindig wil citeren, zo precies zijn de zinnen geformuleerd en zo krachtig zijn de beelden. Zo lief en teder is het personage dat ten tonele wordt gevoerd. Het is lastig om deze bundel te lezen en niet vertederd te raken. Dat maakt Sylvie Marie een sieraad voor de poëzie, die vaker gelezen zou moeten worden. Vooruit, nog een mooi, klein en teder beeld als fractie van ons aller verzet, als intiem voorstel van de dichter aan de lezers:

we zouden kunnen gaan zitten
in een koffiekopje.

je weet wel,
een klassiek,
met schuine wanden,
zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.

geen mok, dat niet.
geen grote cilinder
met platte bodem

maar zo’n kleintje,
bol.

misschien dat we daarin
moeten investeren:
van alle kamers kopjes maken.

Erik-Jan Hummel

Sylvie Marie – Houdingen. Vrijdag, Antwerpen, 56 blz. €16,50.

Omran

je staart en veegt je handen af.
je staart, het is nacht, en plots is het dag.
je knippert met je ogen, veegt je handen af.

je staart, het is nacht, plots dag, je knippert en je voorhoofd jeukt,
je hand gaat automatisch.

je staart, het is nacht, dag en je hand gaat automatisch naar je voorhoofd.
het bloedt. van ergens
komt er bloed en je weet niet vanwaar, je veegt je handen af.

je staart en je knippert, van de dag in de nacht zie je niets,
niet echt.
jeuk is wat je voelt.

je voorhoofd jeukt en je brengt je hand, je pols automatisch,
wrijft met volle palm en vingers over je wang.
er is bloed.

je staart, het moet van ergens komen.

automatisch

veeg je je handen af aan de zitting van je stoel.

allebei.

je veegt allebei je handen af,
al wreef je maar met één hand in je gezicht,
al hangt er maar aan één hand bloed,

aan de andere hangt stof.

 

 

694
(c) Aleppo Media Centre

 

Ik zag de beelden van het jongentje Omran uit Aleppo via CNN international. De video sloeg me in het gezicht. Des te meer omdat het nieuwsanker Kate Bolduan ook duidelijk geëmotioneerd was toen ze de verslaggeving deed. “What strikes me, is: we shed tears, but there are no tears here, he doesn’t cry once, that boy is in total shock.” Ze sloot haar bericht af met: “This is Omran. He’s alive. We wanted you to know.”  

Avondritueel

Mijn vierjarige wil ’s avonds niet meer slapen. Dat is zo sinds zijn broertje werd geboren. Slaap is iets vreemds geworden voor hem, hij gedraagt zich tegenover de slaap als tegenover een vieze, vreemde man. Hij schuilt als het ware achter mijn been voor de slaap. De slaap is geen vriend. De slaap is niet mijn vriend, dat zou hij kunnen zeggen, dat zegt hij wel eens vaker als hij zijn zin niet krijgt. Jij bent niet mijn vriend. Of: papa is niet mijn vriend.

Tot daaraan toe.

Maar de slaap? Alsof hij vreest dat hij ons in de slaap gaat verliezen. Of dat er weer iets bijkomt. Dat zijn gezin, kortom, weer anders is als hij wakker wordt. Net omdat het al zo is gegaan, denkt hij. Hij viel in slaap, lette even niet op, en hop, daar kwam er een broertje bij.

Het is een schat, dat broertje, dat wel. Echt, hij krijgt aaitjes en hij is lief en mooi hoor. Maar hij vertrekt niet meer. Dat broertje gaat niet meer weg. Ook niet door opnieuw te gaan slapen. Neen, met de slaap wordt het niet meer beter. Je kunt niet ‘terugslapen’. Dat ontdekte mijn zoontje al. Terugslapen, in één woord, zoals je ook terugdraaien hebt. Een klok. Het werkt gewoon niet. Er zijn geen hendeltjes aan de slaap.

Er is niets aan de slaap. Geen voorkant, geen achterkant, geen boven en geen onder. De slaap is een blok lucht en zelfs dat nog niet. Je slaat er dwars doorheen terwijl de slaap jou wel overmeestert. De slaap is allesomvattend, laat je je grip op alles verliezen, je lijf, je kamer, je wil, je verstand. Is dat een eerlijk gevecht?

Neen, zegt mijn zoontje, ik wil niet slapen. Of neen, denkt hij, ik zeg eerst dat ik niet kan slapen. Dat is een verschil. Het klinkt hopelozer. En onschuldiger.

Ik kan niet slapen.

Ik moet nog.

Laten we beginnen met… metmetmet pipi!

Of neen, eten. Oh, wat een honger!

Dorst! Een beker water!

Ik wil niet slapen.

Ik kan het niet.

Wat is slaap eigenlijk? Of wie? Wie is slaap? Ik ken de slaap niet. De slaap heeft mij nog niets getoond. Als ik wakker ben, is de slaap verdwenen. En als ik slaap, kan ik niet nadenken over hoe de slaap zich aan mij voordoet. Zo lopen we elkaar telkens mis. De slaap is te groot voor mij. De slaap slaat, de slaap slaat mijn hoofd aan stukken.

En als ik in slaap val, wat betekent dat dan? In slaap vallen. Hoe mensen het zeggen. Waar val ik wel naartoe? Val ik door mijn matras heen? Val ik in de kelder? Oké, ik word wel telkens weer wakker in mijn eigen bed, maar wie kan me garanderen dat ik niet elders ben geweest?

Jij?

Ik kan het niet, ik wil het niet.

De slaap slaat. Ja, op mijn hoofd.

Ik kan niet slapen, ik wil niet slapen.

Slaan doet de slaap. Ik wil het niet, ik wil het niet.

De slaap slaat.

De slaap slaat.

De slaap slaat.

De slaap slaat.

De slaap.

Slaat.

 

Weet je, Mama, ik ga flink zijn.

Ik ga een superklein dutje doen.

Echt, een superkleintje.

En dan.

En dan.

En dan.

Dan.

 

Ja, ik snap hem wel. Uiteindelijk.

Nice: einde van de cocon

Ik geef het toe, ik was een heel klein beetje in slaap gevallen. Ik heb zo’n jong leventje in mijn armen en de dagen met hem voelen als een cocon. Een cocon van veiligheid, vertedering, liefde en warmte. Die oogjes van hem, dat mondje, die geluidjes die hij maakt en die krampachtige, kronkelende bewegingen: ik smelt. En al is Levi al zes weken, de cocon houdt nog even stand. Gisteren werd hij zelfs weer even groter, want een hele dag heb ik met hem in bed doorgebracht; ik lag met pijn en koorts geveld door een borstontsteking. Een vroedvrouw volgde me op. ’s Avonds belde ik haar nog en ze wist me te vertellen dat ze net geparkeerd was voor het huis van een vrouw van wie de vliezen gebroken waren. “Ohhh, succes!” zei ik verheugd. (“Geef haar een prachtige herinnering”, dacht ik bij mezelf, “dat kunnen jullie.”) En zo verheugd ben ik gisterenavond ook in slaap gevallen. Dit zou een hele mooie nacht worden, bedacht ik, er stond nieuw leven op til. Mijn koorts daalde, ik voelde me beter.

Maar zo is het en zo zal het altijd zijn. Net wanneer je weer je draai gevonden hebt, net wanneer de onrust uit je lijf is geschud, zijn ze daar weer. De nieuwsberichten die ik vanmorgen te verwerken kreeg, deden ogenblikkelijk mijn tranen opwellen. Ik bleef maar scrollen door de pagina’s en las diagonaal het bilan. Beneden, in de woonkamer, zat mijn zoontje van vier te spelen. Naast de baby was hij de enige in huis en heel even voelde ik de neiging om hem te roepen. “Simon! Simon! Moet je horen! Moet je zien!” Ik moest mijn schok en mijn verdriet kunnen delen. Natuurlijk heb ik dat niet gedaan. Hoe zou ik het hem moeten uitleggen? Wat moet ik vertellen over mensen die doen wat ze doen? “Hij was niet zo blij, jongen, hij voelde zich niet goed en is daardoor boos geworden.” Zoiets had ik vast gezegd tegen hem. Over een god had ik allerminst gesproken, over een kalifaat of terroristen ook niet.

En eigenlijk, nu mijn zoon intussen uit gaan spelen is, bedenk ik dat het vast geen verkeerd antwoord was geweest. Want waarom de man heeft gedaan wat hij gedaan heeft, zullen we wellicht nooit weten, hij is dood. Andere mensen kunnen zijn daad opeisen, maar dat zegt helemaal niets. En zelfs al vinden we later nog een afscheidsbrief met daarin een verheerlijking van het kalifaat of de terroristen, altijd zullen zijn beweegredenen teruggebracht kunnen worden tot: hij was niet zo blij, hij voelde zich niet goed en is daardoor boos geworden.

Dat zouden we in gedachten moeten houden. Daar zouden we naar moeten handelen. Echt.

Maar helaas: Charles Michel was vanmorgen weer heel. snel in zijn antwoord: “We mogen niet toegeven, we moeten onze waarden blijven verdedigen. Avec beaucoup de force.” Spijtig dat hij nu eens niets anders had bedacht. Consequent blijven, moet hij hebben gedacht als een ouder die een onwillig kind meester wil zijn, maar ik begin me stilaan vragen te stellen over wat ‘toegeven’ en ‘niet toegeven’ eigenlijk nog betekent. Is ‘toegeven’ dan werkelijk stoppen met zingen, dansen en vrij zijn, zoals ze ons voorspiegelen? Is ‘niet toegeven’ dan werkelijk daarmee doorgaan? Ik geloof het niet. Van de waarden die Charles Michel opsomt: vrijheid, respect en tolerantie beschouw ik ons inmiddels allerminst de verdedigers. Aan de vluchtelingen die al maanden in Hongarije aan de grens worden afgeblokt, moet je het ook niet vragen. Als er iets moet toegegeven worden, is het dit: geef toe dat het scheef zit, geef toe dat er al jaren hele groepen mensen niet bij de maatschappij horen, geef toe dat die zaken allerminst prioritair zijn. We blijven bange, blanke mensen: met een handelaar van F35’s aan tafel zitten is duizend keer gemoedelijker dan met de jongeman uit een banlieu die een net iets donkerdere huidskleur heeft.

De cocon waarin ik me de laatste weken heb gehuld, is weer opengebroken, pijnlijk en bruusk, met een nog gruwelijker geweld dan zelfs een kogel kan aanrichten. Maar ik kon niet anders dan dit neerschrijven. Want het ziet ernaar uit dat het spreekwoord “een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen” al lang niet meer voor ons opgaat.

Of nog dit: “Hoe houd je een vrachtwagen tegen?”, vroeg radiojournalist Johny Vansevenant vanmorgen aan minister Jan Jambon in het kader van de veiligheidsmaatregelen voor 21 juli, onze nationale feestdag. Ik ben het antwoord van Jambon vergeten, maar het mijne weerklonk in mijn hoofd: “Praat eens met de chauffeur. Praat alsjeblieft eens met de chauffeur.”

1012708_10209047672938066_4971957070685835789_n
Of zoals Randall Casaer het ‘zei’ na de aanslagen van 22 maart…

 

Mijn brief aan Maggie De Block

Precies een maand geleden werd mijn zoontje Levi geboren. Ik deed voor de zwangerschapsopvolging, de bevalling en de nazorg beroep op de lieve vroedvrouwen van ’t Geboortehuis. Onlangs deden zij op Facebook een oproep om meer aandacht te vragen voor hun onbetaalbare, maar helaas onderbetaalde job. Ze vroegen om massaal geboortekaartjes naar de minister van volksgezondheid Maggie De Block te sturen. Dat deed ik vandaag, maar ik stak er ook een briefje bij. Bij deze:

Gent, 28 juni 2016

Geachte minister De Block, beste Maggie

Ik weet het, ik ben laat met mijn kaartje. Precies vandaag is mijn zoontje een maand oud en u hebt nu pas de blijde aankondiging in handen. Mijn excuses. Het is maar dat ik u meteen ook een brief wilde schrijven en – u weet het of u weet het niet – een brief schrijven is tijdens de kraamtijd een heuse opdracht. Voor deze brief had ik dan ook een paar dagen nodig.

Maar ik wilde het echt. Ik wilde u niet zomaar mijn kaartje sturen met de boodschap: ‘onze vroedvrouw: onbetaalbaar voor ons, onderbetaald door de overheid.’ Neen, ik wilde u persoonlijk vertellen wat de vroedvrouw voor mij gedaan heeft. Zodat u weet wat ‘onbetaalbaar’ bijvoorbeeld, onder andere, kan betekenen.

Ik zou u het volgende kunnen vertellen. Dat ik het eens voor u heb uitgetest. Een kind op de wereld zetten zonder vroedvrouw, en dan een kind op de wereld zetten met. En u dan op de verschillen wijzen. Maar dat is nogal kort door de bocht natuurlijk. Het is immers nooit mijn bedoeling geweest om ‘zonder’ vroedvrouw een kind op de wereld te zetten. Helaas bleek het daar bij mijn eerste bevalling wel op neer te komen, want een vroedvrouw, daar kies je maar beter bewust voor. Bij de eerste bevalling had ik nooit echt bij hun bestaan stilgestaan. Dus een keuze om zonder hen te bevallen was het eigenlijk niet.

Lang wil ik het niet over die eerste bevalling hebben, het is immers vooral mijn bedoeling het over mijn ‘onbetaalbare’ ervaring te hebben, maar heel kort kwam het op het volgende neer: ik wandelde onvoorbereid alleen een ziekenhuis binnen na enkel te zijn opgevolgd door een gynaecoloog en kwam er terecht bij steeds wisselende mensen die me in een medische cascade loodsten. Ik eindigde met een spoedkeizersnede en een quasi postnatale depressie. Ik voelde me schuldig en tegelijk machteloos over hoe de dingen waren verlopen. Ook schaamte stak de kop op, ik vond dat ik gefaald had, ik haatte mijn weerloze lichaam.

Die emoties hebben zo’n drie en een half jaar aangehouden. Een buitenbaarmoederlijke zwangerschap maakte het niet beter (“alweer een mislukt probeersel”) en al te kritisch keek ik naar mijn nieuwe zwangerschap (“we zullen zien, we zullen zien”). En ja, ook over de bevalling maakte ik me weinig illusies (“dat ze me maar gewoon verdoven, als ik achteraf een gezonde kleine krijg, zal je me niet horen klagen.”).

Onvoorstelbaar, maar het tij is toch gekeerd. Uiteindelijk was het Celia Ledoux (zoek die naam op, mocht u haar nog niet kennen) die me wakkerschudde: “Niet jij hebt fouten gemaakt, heb vertrouwen, zoek hulp.” Ik geloofde het, en net op tijd. Ik was al zes maanden zwanger toen ik plots actie ondernam en deed wat geen enkele andere bijna hoogzwangere, volgzame en vooral schuldbewuste vrouw aandurfde: veranderen van gynaecoloog en van ziekenhuis. En vooral: contact opnemen met de vroedvrouw. In mijn geval vond ik mijn plaats bij ’t Geboortehuis in Gent, een team van zes warme persoonlijkheden. Voortaan zouden zij bij mij de reguliere consultaties doen en samen maakten we ook plannen voor een door hen bijgestane bevalling in het ziekenhuis: ik wilde ondanks mijn keizersnede toch nog eens proberen om zo natuurlijk mogelijk te bevallen.

Ik heb ook een cursus ‘mindful bevallen’ gedaan bij ’t Geboortehuis. Kwestie om meteen ‘all the way’ te gaan. En laat me het maar meteen zeggen. Die sessies bij Véronique – die deels bestonden uit meditatie, deels uit discussie en demonstratie – waren alles behalve een extraatje. Want weet u, er waren best heel wat dingen die ik niet wist. De bijeenkomsten, waarop ook de partner was uitgenodigd, bleken stuk voor stuk eye-openers te zijn. Ik heb er antwoorden gekregen op vragen waaraan ik simpelweg nog niet gedacht had. En dat is best verbazingwekkend. Hoe is het mogelijk dat we zo weinig weten van datgene wat onze natuurlijke taak is: het baren en op de wereld zetten van een kind? Hoe is het, bij uitbreiding, mogelijk dat we zo vervreemd zijn van hoe ons lichaam reageert en werkt? Daarom: die sessies zouden verplicht moeten worden. Niet alleen om de zelfredzaamheid en het zelfvertrouwen van een zwangere vrouw te bevorderen en te maken dat ze weet wat er gaande is als de dag van de bevalling aanbreekt, ook niet alleen om te bekomen dat ook de partner ten volle betrokken is bij het proces, maar vooral om ervoor te zorgen dat de zwangere vrouw en haar partner ten volle uitkijken naar de dag van de bevalling. Want inderdaad, naar de bevalling kan je uitkijken: niet als een obstakel waar men ‘door’ moet om een kind te bekomen, maar als een wonder waar men in kan duiken zodat je met nog veel krachtigere armen je kindje in ontvangst neemt.

Net geen 41 weken was ik toen de bevalling zich aandiende. Wees gerust, een al te gedetailleerde omschrijving zal ik u weerom besparen, die zes pagina’s heb ik voor mezelf al uitgetikt, maar laat het duidelijk zijn dat de vroedvrouw voor mij inderdaad het verschil heeft gemaakt tussen opnieuw een traumatische ervaring en de euforische belevenis die ik deze keer heb gehad. Niet dat ik de geboorte van mijn tweede zoon op een zilveren schoteltje kreeg gepresenteerd, integendeel. Maar de mogelijkheden die ik ter beschikking had, de keuzes die ik kon maken tijdens het traject, het positieve gevoel dat ik bij de situatie had zoals ze zich aandiende; alles werd me stuk voor stuk ingefluisterd door ‘de’ vroedvrouw. ‘De’ vroedvrouw die me in de hoedanigheid van Véronique zoveel moed en kracht verschafte, ‘de’ vroedvrouw die me in de huid van Karolien, Ruth, Céline en Sanne bij een consultatie bestookte met kennis en vertrouwen en tenslotte, ‘de’ vroedvrouw die me in de verschijning van Angelique tijdens mijn arbeid aanmoedigde, oppepte, informeerde, adviseerde en stimuleerde. Zonder ‘haar’ had ik het allemaal niet gedaan. Neen, ik weet het zeker: zonder ‘haar’ had ik de tien nooit gehaald. De tien centimeter, die vooreerst, maar ook de tien op tien voor euforie, enthousiasme en zelfvertrouwen voor, tijdens en vooral, na de geboorte. Hier zijn veel kosten bespaard gebleven, allemaal dankzij ‘haar’.

Ik weet nog dat ik Angelique tijdens mijn ‘bootcamp’ – zo noemde ze het zelf terwijl ze me nog een trap liet beklimmen – heb gezegd dat ze haar geld waard was. Daar moest ze om lachen. Vanzelfsprekend. Maar ik hoop dat u, als minister, deze stelling serieus neemt en de vroedvrouwen geeft wat hen toekomt, want ze zijn het inderdaad waard. Elke mama verdient het om sterker en niet zwakker te worden gedurende zo’n ingrijpende levensfase. En dat kan, dankzij de vroedvrouw. U zult het overigens zien: in een maatschappij vol aangesterkte mama’s wordt het nog een stuk beter toeven.

Van harte
Sylvie Marie
schrijver, maar ook ‘gewoon’ een trotse mama.