Meander recenseert Houdingen

Van snoeihard tot licht absurd, de schakeringen van mens-zijn

Door: Laura Demelza Bosma

Schermafbeelding 2018-03-26 om 12.12.04

Dit is mijn eerste recensie sinds het overlijden van Rob de Vos, goede vriend en onevenaarbaar Meander-opperhoofd. Het in deze zin weer aan de slag gaan met poëzie is naast een mooie manier om Rob eer aan te doen toch ook weer een taaie confrontatie met het verlies. Sylvie Marie heeft in het verleden jarenlang voor Meander gewerkt en had eveneens een goede verbinding met Rob, wat de symbolische waarde van deze voortzetting van mijn werk bij Meander vergroot. Laat duidelijk zijn:  mijn gevoel van verlies en de betekenis die ik geef aan het feit dat ik nu juist deze bundel mag bespreken, veroorzaken niet dat ik in deze bespreking positief zal discrimineren.

____

Vandaag heb ik de stilte gevonden, om me heen en in mezelf, die nodig was om toegang te vinden tot de bundel Houdingen van Sylvie Marie. Eerder probeerde ik al meerdere malen om ‘tussendoor’ een paar gedichten te lezen, maar op deze manier raakte ik niet in de wereld an sich die Sylvie Marie hier zo fijngevoelig in woorden heeft geschetst.

Achterop de bundel staat: ‘In haar vierde bundel dicht Sylvie Marie over verlies en een nieuw begin en over alle houdingen daartussen’. Om wat voor verlies het precies gaat in deze bundel blijft voor mij onduidelijk. Het woord ‘schetsen’ is hier van toepassing, of ook ‘sfeertekeningen’. Ook de illustratie op de voorzijde is meer een schets dan een uitgewerkte illustratie. De schets roept de vraag op: duwen deze twee mensen elkaar weg of trekken ze zich juist naar elkaar toe? Is het aantrekken of afstoten? De gedichten en personages in Houdingen doen hetzelfde. Ze trekken aan, ze stoten af.  Zelfs de titel draagt die tegenstelling in zich. De eerste betekenis is natuurlijk ‘houdingen’ in de zin van hoe wij ons opstellen ten opzichte van onszelf, de mensen in ons leven, een situatie etc. Grappig genoeg was echter mijn eerste associatie met de titel een andere. Ik dacht direct aan ‘houden’ en daarmee aan de eigenschap van de mens om wat ons lief is te willen houden, niet te willen verliezen. Ook ‘houden van’, liefhebben ligt in het woord zelf besloten en een wat wrange invalshoek zou kunnen zijn: de objectificatie van de geliefden. Is het omdat het moelijk is ons te binden aan het vergankelijke, eenvoudiger de mens te zien als een ding dat we kunnen houden? Zoiets als een hebbeding?

Een van de gedichten te lezen veroorzaakt bij mij meermaals dat ik de impressie krijg dat ik een pilletje heb ingenomen dat op mijn gevoelsleven inspeelt. Ik ervaar dit niet per se als prettig maar wel als interessant. Ik bewonder Sylvie Marie’s vermogen zoveel verschillende geestestoestanden vast te pinnen in woorden die aankomen. Toevallig is er ook een gedicht over pillen: ‘en meer nog dan het doel van die dingen / gaat het om het drukken, zorgvuldig / de beide duimen voorwaarts / en de nagels tegen elkaar‘ (fragment).

Het poëtisch ik maakt, gehecht aan het uitdrukken van pillen, een neurotische indruk. Tegelijk is dit gegeven zo herkenbaar dat ik me plots realiseer hoe neurotisch wij (bijna) allemaal eigenlijk wel niet zijn. Velen zijn in meer of mindere mate gehecht aan of meestal zelfs afhankelijk van ongezonde gedragspatronen. We weten dat iets slecht voor ons is, toch kunnen we niet zonder. Het is een houding die we willen houden, want wat blijft over van ons als we onze houdingen niet meer kunnen controleren? Wat zit dáárachter?

gewond zijn is mijn besluit
het stelpen zal ik latenniet dat ik dweep met bloed, vroeger
kon ik daarin overdrijven

maar als ik sporen nalaat
vind je mij tenminste terug.

Ook in dit korte titelloze gedicht kiest het poëtisch ik er voor gedoseerd bewust incompetent, gewond, door het leven te gaan. Want alleen bloedend gelooft ze, kan ze gevonden worden.  Die benauwende doch warmbloedige en intelligente gekte herinnert me aan het werk van mijn eerste poëtische liefde Jotie ’T Hooft.  Ik denk daarbij: Wie overloopt van wat in hem (haar) loopt moet schrijven.  Het werk van Sylvie Marie is net zo goed als dat van  ’T Hooft een voorbeeld van hoe zo’n intense urgentie de kwaliteit van poëzie ten goede komt.

De bundel telt  drie afdelingen: ‘toestanden’, ‘houdingen’ en ‘uitkomsten’. Onderdeel van de afdeling ‘houdingen’ is het vijfkoppige gedicht ‘werkweek’. Ik vind het prettig dat onderwerp en enscenering hier vrij duidelijk zijn. Een stel gaat naar een chalet ‘want sneeuw vergeeft, je kunt telkens opnieuw beginnen’. Sterke beelden in heldere zinnen vormen ‘werkweek’ tot een filmisch geheel: ‘nu moeten we laarzen aan, nu naar buiten, / nu gaan liggen en kraken, van de hele helling / engelen maken.’ (fragment)

Sommige zinnen komen snoeihard binnen en zelfs als ik het probeer is het moeilijk deze te vergeten. Neem bijvoorbeeld de eerste zin uit dit gedicht:

ik had het moeten weten: zand waarop niet te bouwen valt
deugt ook voor begraven niet. hoeveel lagenbijvoorbeeld zijn er nodig voor jou? ik begraaf je
roep luid vaarwel vaarwel en begraaf je en begraaf je

maar de bergen wandelen hier, worden heuvels,
vlaktes, dalen, vlaktes, heuvels en weer bergen, verderop.

ik heb geprobeerd je te verbergen, maar je zingt jezelf
steeds een weg naar boven, fluit je lippen vrij

en je korrels slaan opnieuw in mijn gezicht.

Het hele gedicht blijft zo sterk, van de eerste regel tot de laatste. En ik maar tot tegen het einde denken dat ‘begraven’ als metafoor was bedoeld, daarom slaan die ‘korrels’ mij ook bijna stoffelijk, zo letterlijk ‘de dood’ in het gezicht.

Er zijn ook lichtvoetigere gedichten, hier een fragment van eentje om in te gaan zitten. Hoewel dat lichte absurdisme vaker voorkomt had ik er graag nóg meer van geproefd in deze bundel.

we zouden kunnen gaan zitten
in een koffiekopjeje weet wel,
een klassiek,
met schuine wanden,
zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.

De afdeling ‘uitkomsten’ bestaat uit een enkel gedicht en is dus eigenlijk een ‘uitkomst’. De uitkomst lijkt een kind te zijn. Een ontroerende wending, waarbij ik denk ‘hier begint het pas, híer wil ik meer van’. Zij schrijft: ‘jij liet niets vallen jij hebt iets neergezet’ alsof zij dat tegen zichzelf zegt. Op deze manier maakt het poëtisch ik een interessante psychologische ontwikkeling door. Deze afsluitende regels zouden tegelijkertijd ook over deze bundel kunnen gaan. Door te dichten zet de schrijfster haar werk neer: zo komt de vallende fier tot staan.

***

Sylvie Marie (1984) publiceert sinds 2005 gedichten in literaire tijdschriften. In 2009 verscheen haar debuut Zonder. Twee jaar later werd de opvolger Toen je me ten huwelijk vroeg genomineerd voor de Herman de Coninckprijs, de J.C. Bloemprijs en de Eline van Haarenprijs. Voor de derde, Altijd een raam, kreeg ze in 2017 de laatste provinciale prijs Letterkunde van de provincie Oost- Vlaanderen. Houdingen is haar vierde bundel.

Hebban.nl recenseert Houdingen

Hebban recensie

Intieme sfeer in grote thema’s

 door Anne Oerlemans  02 augustus 2018

Houdingen

In 2009 debuteerde dichter Sylvie Marie (1984) met Zonder en won ze Humo’s Gouden Aap, waardoor haar gedichten een jaar lang wekelijks in dit blad te lezen waren. De bundel Toen je me ten huwelijk vroeg uit 2011 werd genomineerd voor de Herman de Coninckprijs, de JC Bloemprijs en de Eline van Haarenprijs. In 2017 ontving Marie de Prijs Letterkunde Oost-Vlaanderen voor haar derde dichtbundel Altijd een raam en in 2018 verscheen haar vierde dichtbundel Houdingen bij uitgeverij Vrijdag.

Verschillende gedichten uit Houdingen verschenen eerder onder andere in Hollands MaandbladDe RevisorHet Liegend Konijn en Ooteoote. De gedichten worden op de achterflap omschreven als vertellingen over verlies en een nieuw begin en alle houdingen daar tussenin. De bundel is opgedeeld in drie delen: ‘Toestanden’, ‘Houdingen’ en ‘Uitkomsten’.

“ik wacht tot het allemaal weer begint:
met mijn hoofd tussen de schouders wacht ik,
tussen de vrees van mijn schouderbladen knijp ik
de ogen, streep ik de mond, wacht
en wacht ik.”

De gedichten in Houdingen zijn allemaal intiem, observaties van kleine, onschuldige dingen worden door Sylvie Marie uitvergroot en tot onderwerp gemaakt. Nieuwe associaties steken hierdoor de kop op. Afwachten, wachten op wat komen gaat, Marie laat zien hoe dat eruitziet en zonder de rest van het gedicht kan men in bovenstaande strofe overal op wachten.

“toen ook zaten we tegenover elkaar,
toen ook hadden we de ogen gesloten,
de wereld verknipt terwijl we nog vrij waren,
dansten, zaten en niet voelden dat we zaten,
onze vingers eindeloos naar elkaar gestrekt.”

Die letterlijke houdingen van mensen, de manier waarop mensen hun lichaam houding geven, alleen of ten opzichte van elkaar komt op verschillende manieren terug in de gedichten van Sylvie Marie. Het draagt bij aan de intimiteit van haar poëzie en tegelijk maakt het haar vergelijkingen herkenbaar. De lezer kan zich letterlijk een voorstelling maken van wat beschreven is.

“want sneeuw vergeeft, je kunt telkens opnieuw beginnen”

Omgaan met elkaar, met onverwachte omstandigheden en nabijheid. Een toestand is iets dat je niet kunt veranderen, het enige dat je zelf in de hand hebt is de houding die je daarbij aanneemt, die houding verandert de uitkomst. Tot op zekere hoogte, want sterfelijkheid, onwil, onmacht en onvrijheid blijven altijd bestaan. Hoezeer je ook je best doet om te vergeten en/of te vergeven.

“al vraag ik me af hoeveel vlakker het leven is
zonder de opluchting over dingen die net niet gebeurden.”

De bovengenoemde thema’s van vergeten, vergeven, de sterfelijkheid en het omgaan met de ander maken de dichtbundel van Sylvie Marie erg divers en tegelijk in alles herkenbaar. De gedichten kenmerken zich door kleine observaties verbonden met grote thema’s, zonder te vervallen in ingewikkelde structuren of erudiet woordgebruik. Het ene gedicht leent zich makkelijker voor een interpretatie van de lezer dan het andere, maar de algehele intieme sfeer van Houdingen maakt de bundel meer dan de moeite waard.

Literair Nederland recenseert Houdingen

Het Koplandsiaans minuscule is de kracht in deze bundel

Recensie door André van Dijk
Schermafbeelding 2018-03-26 om 12.12.04
De Vlaamse dichter Sylvie Marie brengt in haar nieuwste bundel Houdingen grote bewegingen van het gemoed terug naar uiterst kleine beschrijvingen. Met de zorgvuldigheid van een horlogemaker weet ze minimale woordconstructies samen te stellen die een wereld van verborgen drama ontsluiten. In het eerste deel ‘Toestanden’ wordt in drie gedichten de basis gelegd voor het verdere verloop. Een niet vrolijkstemmend vers dat begint met: ‘veel vaker dan ik wil, wacht ik op bloed, / slijt er dagen aan (…)’Of het tweede gedicht dat aanvangt met: ‘terwijl we weer vrijen schuift een kleine, / bange rat onder de deken (…)’
Het derde gedicht in het deel ‘Toestanden’ laat de huidige situatie zien: ‘los als vandaag liggen we / almaar vaker. lakens scheuren / langs de drift van onze continenten. (…)’

In metaforische schetsen laat Sylvie Marie een somber beeld zien van een vrouw in een ongelukkige toestand. Vreemd genoeg wordt die somberte nergens echt tastbaar, omdat de dichter zo omfloerst mogelijk haar taal behandelt. Geen grote woorden, geen drang naar heftige conclusies, maar slechts lichte aanrakingen die de tragiek benoemen en die tegelijkertijd bedekken onder een deken van vloeiende regels. Dat maakt de zwaarte eerst draaglijk, gevangen in schoonheid, maar bij herlezing van de verzen komt zij steeds harder binnen.

Het tweede deel ‘Houdingen’ is een uiteenzetting van de verschillende stadia waarin de vrouw zich bevindt. Haar wezen uit zich in een reeks gedichten over eenzaamheid, verlatenheid en het verlangen naar liefde. Met een treurig zelfbeeld als dieptepunt, waarmee ze zichzelf de maat neemt:

ik kan dat niet, de vrouw uithangen,
wijd en traag ben ik, was ik
hout, dan had ik brede groeven, lomp
val ik als omgehakt, ik kraak mijn takken stug.
het is ook altijd winter hier. (…)

Het drama wordt alleen maar groter als er over pillen gedicht gaat worden. Hier wordt de loodzware boodschap ook allereerst verpakt in prachtige zinnetjes die heel gedetailleerd beschrijven hoe zo’n proces in zijn werk gaat. De ernst van de zaak lijkt voor zichzelf te spreken, maar neemt aan het eind van het vers een wending als er iets te nadrukkelijk verwezen wordt naar een andere functie van de pillen:

om kalm te blijven druk ik
geconcentreerd de pillen uit een strip

en meer nog dan het doel van die dingen,
gaat het om het drukken, zorgvuldig,
de beide duimen voorwaarts
en de nagels tegen elkaar.

dan het zilvervlies dat knapt,
het plastic dat ineenstuikt
als een bolle buik tenietgedaan met een veeg
van tafel, brekend water, spanning die lost,
de pil die in mijn palm valt, achteloos
als een kinderhoofdje.

Dood en nieuw leven, beiden door de dichter aangeraakt in een omhulsel van lastige relationele kwesties. Voor een hele bundel is dat iets teveel van het goede, maar Sylvie Marie komt ermee weg omdat haar sprankelende en precieze stijl het lezen tot een bijzonder avontuur maakt. De tragiek mag dan verpakt zijn in té opgelegde metaforen, zinnen als: ‘de nacht is een kofferbak, waarin ik klaarlicht liggen moet’ zijn kleine pareltjes waarin de subtiele alliteratie een groot effect teweegbrengt.

In het laatste deel ‘Uitkomsten’ wordt in één gedicht de zogenaamde uitkomst van alle misère toegelicht. Hier blijft weinig te raden over: goed geschreven maar veel te expliciet verwijzend naar een goede afloop. Terwijl nog geprobeerd wordt de boodschap te verdoezelen, spreekt de verzuchting van de dichter boekdelen: ‘jij liet niets vallen,/ jij hebt iets neergezet.’
Het dichterschap van Sylvie Marie is vooral af te lezen aan de kleinheid van haar verzen, waarbij ze soms de verbeelding te letterlijk laat plaatsvinden. Het haast Koplandsiaanse minuscule – tot in detail een grote beweging beschrijven en daar zo min mogelijk woorden aan vuil maken – is haar grote kracht. Dat wordt benadrukt door het beste gedicht uit deze bundel:

we zouden kunnen gaan zitten
in een koffiekopje.

je weet wel,
een klassiek,
met schuine wanden,
zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.

geen mok, dat niet.
geen grote cilinder
met platte bodem

maar zo’n kleintje,
bol.

misschien dat we daarin
moeten investeren:
van alle kamers kopjes maken.

Trouw recenseert Houdingen

De gedichten van de Vlaamse Sylvie Marie zijn klein en intiem

CULTUUR

Janita Monna 

Janita Monna schrijft wekelijk over poëzie voor Trouw. © Maartje Geels
POËZIE

Al meer dan een decennium draait ze mee in de poëzie: de Vlaamse Sylvie Marie. Vier goed ontvangen bundels staan er inmiddels op haar naam. Ze is gevestigd, zou je kunnen zeggen, al heeft haar werk nog altijd iets jongs.

U krijgt 5 artikelen van Trouw cadeau. Dit is nummer 1 .

Onbeperkt onze artikelen lezen? Digitaal Basis € 2.50 per week.

‘Houdingen’ verscheen onlangs, twee grillig getekende figuren op het omslag. Ze pakken elkaar vast bij het hoofd. Ongeveer zoals Marie beschrijft tegen het eind van de bundel: “het doet deugd wanneer je gewoon / mijn hoofd vastpakt: / je handen als schelpen / om mijn oren – het ruisen horen – / en je duimen aan mijn mond.”

Het is klein en intiem, zoals veel gedichten van Sylvie Marie dicht bij huis blijven. Ze cirkelen rond een ‘ik’ en een ‘je’, die soms ‘we’ worden. In eenvoudige, spreektalige zinnen die voorzichtig bijeengehouden worden door klank, wordt een wereld opgetrokken waarin weinig beweging te bespeuren is, die soms zelfs stilstaat. Zoals in het openingsgedicht van de bundel, met het krachtige begin: ‘veel vaker dan ik wil, wacht ik op bloed’.

Die toestand van stilstand laat Marie haast vertraagd verglijden naar toenadering en uiteindelijk verwijdering.

Toestanden van verlies

‘Houdingen’, de afdeling waar de bundel zijn titel aan ontleent, onderzoekt de ‘toestanden van verlies’. Wat gebeurt er bijvoorbeeld met een vaas als de bloemen verdorren? Wat gebeurt er met de achterblijver? Die kan verlangen naar verzorging, of in een soort apathie verzinken, binnenskamers televisie kijken, zappend langs ‘sitcoms, disney’, zo het harde nieuws op afstand houdend: “soms hoor ik over aanslagen, / soms ontploft er iets, / het is niet mijn kop thee.”

Marie heeft een fijn gevoel voor openingszinnen. Huiveringwekkende: ‘vroeger zag ik moeder vaker varkens de kop in slaan’; beeldende: ‘de nacht is een kofferbak’; intrigerende: ‘en dan ineens de wens de mens / te vinden die als eerste de leugen bracht’.

Maar het lukt niet altijd om de geladenheid van die eerste woorden in de rest van het gedicht vast te houden. En soms, zoals hierboven, is het spel met taal, vertaling en de daaruit vloeiende dubbelzinnigheid, gemakzuchtig. Nu en dan ook ligt de symboliek er bovenop. Dan duiken in een precieze beschrijving van het doordrukken van een pillenstrip, woorden op als ‘bolle buik’, ‘brekend water’, ‘kinderhoofdje’ – wordt hier dan niet zomaar een pilletje geslikt, wordt een zwangerschap voorkomen?

Toch slaagt Marie er op andere momenten in om haar bijna moeiteloos verwoorde houdingen een onverwachte, donkere toon te geven, wordt verlies een toestand die nooit overgaat: “trek terug, / de knieën tot onder de kin, armen / als vleugels eromheen. (…) // er zijn veel mensen die zo jarenlang/ in kelders zitten”.

De ‘ik’ veert uiteindelijk terug, ‘ontwaakt’ en hoort het bloed waarop gewacht werd ruisen, als de zee.

Geslaagd zijn de momenten waarop Marie’s verstilde regels even schuren. Maar dat duurt in ‘Houdingen’ nooit erg lang.

trek terug,

de knieën tot onder de kin, armen

als vleugels eromheen.

in deze houding kun je jezelf wiegen,

gebruik je de voeten optimaal,

rol ze af van hiel naar teen en terug.

er zijn veel mensen die zo jarenlang

in kelders zitten, ze rennen

hun eigen armen in, rollen zich op

als foetussen binnen de wand.

ze worden geboren

en plooien dan weer terug.

Sylvie Marie
Houdingen
Vrijdag; 56 blz. € 16,50

Janita Monna schrijft wekelijks over poëzie voor Trouw

recensie in Literair Nederland ‘Altijd een raam’

Altijd een raam – Sylvie Marie

2 juli 2014

Onopgeloste huiselijke zaken

Recensie door Nafiss Nia

In de bundel Altijd een raam van Sylvie Marie gebeurt alles binnenshuis. De bundel is opgesplitst in twee delen: Binnenskamers en Buitenshuis. Twee aparte gedichten fungeren als opening en slot. Maar zelfs in de gedichten van het deel Buitenshuisgebeurt alles binnen.

De gedichten gaan voornamelijk over ik, jij en wij, maar de ik, jij en wij van de dichter kunnen ook net zo goed ik, jij en wij zelf zijn. Zo verbindt de dichter ons met haarzelf en betrekt ze de lezer bij haar huiselijke beslommeringen. De op het eerste gezicht persoonlijke gedichten graven diep in de ziel en leggen herkenbare gevoelens bloot. Terwijl ze het over een tafel, de slaapkamer, etensresten en tegels heeft, opent ze de ramen en neemt haar huis mee naar buiten. Jammer genoeg missen de gedichten zonneschijn en een frisse wind die de gedichten kleurt en laat groeien. Ze laat de wereld niet binnen in haar gedichten, want binnen is het vol van onopgeloste huiselijke zaken, zoals uit de meeste gedichten blijkt. Huiselijk of niet, ze raken wel en ze raken diep:

welkom in onze flat
dit huis heeft kelder noch zolder, niemand
die naar boven of benden
vlucht, we verzamelen

ons aan tafel om er steevast
te zitten, oog in oog, tand op tand.

wat op het blad wacht, staat er om te verteren.

en neen, er is geen hond
om stiekem restjes aan te schuiven.

Marie durft in haar poëzie de confrontatie met zichzelf aan te gaan en met de weemoed die in iedere regel huist, durft ze zichzelf uit te lachen, te troosten en weer verder te gaan:

smaak
in het begin waren we eindeloos
op elkaar en onder
in het donker een dag niet meer om het lijf
dan het nemen en eten ervan.

we dansten als stenen
posturen op de rand van een kast, zo
halsoverkop ons van geen val bewust.

vandaag houden we ons kranig,
als ik thuiskom van het werk
en je bent er en hebt gekookt,
dan zeg ik dat het lekker is.

Sylvie Marie benoemt geen gevoelens in haar gedichten, ze beschrijft ze. Ze laat de lezer het verdriet, de pijn en teleurstelling tussen de woorden door meebeleven.  Maar de weemoed raakt niet diep, duurt niet lang. Ze is als een veertje dat je raakt en weer loslaat:
en zeg niet dat zulke zaken naderhand beter worden / we zijn geen wijn, (blz.39).

Omdat ze gemakkelijk om haar pijn lacht en er de spot mee drijft, wordt de pijn in haar gedichten speels en af en toe zelfs heel simpel: omdat je op tongen geen pleisters plakt / voor kussen op knieën een paard te groot bent, (blz. 20).

Bijna alle gedichten in Altijd een raam zullen het goed doen tijdens een korte voordracht. De luisteraar kan er zijn eigen verhaal in herkennen. De helderheid en humor van de dichter zijn te waarderen. Maar wanneer meer gedichten achter elkaar gelezen worden, wordt het eentonig. De gedichten lijken dan opeens heel erg op elkaar en de herhaling van gevoelens doet de prachtige vondsten in de bundel tekort. Waar de intieme en huiselijke gevoelens tot herkenbaarheid oproepen, zorgen ze op een gegeven moment voor een herhaling van hetgeen al eerder is gezegd. Na telkens woorden als koffie, bed, huis, kamer, porselein, vader, daver, zolder en kelder tegen te zijn gekomen, is de koek op. De verrassing flitst weg en de lezer krijgt een gevoel van: dit heb ik al gehoord! Maar dat heeft de dichter vast niet zo bedoeld, zoals ze dat zelf mooi verwoordt: we kwamen niet verder dan de woorden van een dichter / die vast iets anders had willen zeggen (blz. 14).

Sylvie Marie laat in deze bundel de ramen open, maar moet nog de durf tonen om weg te vliegen, het avontuur in, de wereld onder de loep nemen en zich niet opsluiten in binnenskamerse lotgevallen. Want een scherpe blik voor details, een sterke zelfspot en een speelse toon bezit ze zeker!

ik wil daar iets over zeggen, maar je rent voortdurend weg.
als ik je achterna ga, spelen regendruppels om het eerst vallen
en heb je verbetenheid als een capuchon over je hoofd getrokken.

Altijd een raam

Sylvie Marie
Blz.: 60
Prijs: € 16,50
Uitgegeven bij Vrijdag Uitgeverij