Parijs en de eenzaamheid van sociale media

Ben ik gisteren in een andere wereld opgestaan? Natuurlijk niet. Maar ik kan er niet omheen: mijn lichaam reageerde heftig. Ik ben in elkaar gekrompen, ik heb gezucht en lippen gebeten. En ik heb verschillende malen huilbuien gehad, van verdriet, maar ook van woede. Het was alsof iets sluimerends in mij eindelijk helemaal naar de oppervlakte kwam.

Sinds begin deze maand ben ik writer-in-residence bij Het Lijsternest, het huis waar Stijn Streuvels decennialang gewoond heeft. Nu, op dit eigenste moment zit ik te werken aan zijn brede bureau, met voor mij een prachtige kijk op Anzegem dorp, de eerste glooiingen in het landschap, het begin van de Vlaamse Ardennen. Het heeft me zoveel deugd gedaan om hier te zijn. Ik vond hier rust en regelmaat om te schrijven aan stevig proza. En dat is iets waaraan ik thuis, met ander werk en gezin, heel moeilijk toe kom.

Schermafbeelding 2015-11-15 om 15.58.53

Maar ik geef het toe: ik vertoonde ook vluchtgedrag. Voor mij is werken aan een roman een enorme inspanning. Duizenden en duizenden woorden heb ik al geschreven en hoewel ik weet wat ik ermee moet, hoewel ik bij lezen en herlezen weet wat ik moet veranderen, toch zie ik op tegen het werk. Alles, maar dan ook alles uitschrijven, wat een ambacht!
Dus ja, ik heb me de voorbije weken ook geconcentreerd op andere opdrachten, ik heb me op de blog van Het Lijsternest een beetje uitgeleefd in romantische, kleine verslagen en ik heb mails en Facebook als verstoorder zijn gang laten gaan.

Tot ik mijn eigen gedrag beu was. Al een tijdje heb ik het met sociale media lastig, de manier van werken, de ongebreidelde inbreuken op onze privacy, de kortzichtigheid van zovele gebruikers, het narcisme dat ervan afspat, enzovoort. Ik kwam op het idee om een programma op mijn pc te installeren dat ervoor zorgt dat ik voor bepaalde tijd simpelweg niet meer op die websites kan. SelfControl heet die applicatie, een naam die me in het gezicht slaat en me attent maakt op mijn weerloze verslaving die de laatste jaren zomaar in mij mocht woekeren. Ik moet zeggen: het voelde vrij goed, die beperking om op Facebook te komen. Want mijn account helemaal opgeven zag ik niet zitten. Daarvoor gebruik ik de sociale media ook te veel in mijn voordeel. Ideeën verspreiden bijvoorbeeld doe ik met mijn pagina ‘Groene tips’, en geïnteresseerden informeren over mij als schrijver gaat via ‘Sylvie Marie’. Met mijn persoonlijke pagina probeer ikzelf dan weer wat mensen te volgen.

Maar gisteren, gisteren…

…was er de terreur die in Parijs werd gezaaid. Er was onze Westerse wereld die, als bij een aardbeving vanuit het epicentrum gestuurd, begon te daveren en uitspraak na uitspraak begon te formuleren. ‘Dit is een daad van oorlog’ (de Franse president), ‘We zullen diegenen die hierachter zitten, vernietigen’ (de Franse premier), ‘Er moet meer repressie zijn in Molenbeek’ (Charles Michel) en dan ook deze: ‘Dit drama is een aanval op onze fundamentele waarden’ (Charles Michel), ‘We gaan samen de Europese waarden verdedigen’ (Merkel) of ja, ‘Dit is een aanval op de hele mensheid’ (Barack Obama). Ja, de rustige idylle van het Streuvelshuis was weg, even snel ingestort als een wolkenkrabber nadat er een vliegtuig op in is gevlogen.

Ik stelde me meteen weer zo’n optocht voor, zo’n geënceneerde optocht waarin de wereldleiders arm in am door de Parijse straten trekken en grote woorden en plannen scanderen. Maar ach, wat jammer dat we dat al gedaan hebben bij die twaalf doden van Charlie Hebdo! Hoe geloofwaardig kan een nieuwe optocht immers zijn als er sindsdien niets gebeurd is om de wortels van deze terreurdaden weg te halen? Neen, wat we gedaan hebben, is de boom van terreur vooral veel warmte en vers water geven zodat die zijn takken nog wijder spreidt. Daar is onze reactie op de vluchtelingencrisis – die al zovele jaren woedt, maar die, omwille van een mediagenieke foto ook plotseling een opwelling van solidariteit kreeg – ook een voorbeeld van. Angela Merkel die zich eens moedig toonde en zei ‘Wir schaffen das’, wordt nu alweer weggehoond. De hekkens worden hoger, breder en bezitten meer en meer voltage.

Heel af en toe schrikken we even wakker, maar veel vaker worden we weer in slaap gesust.

Ik voelde me gisteren zo lamlendig en gruwelde van heel onze Westerse en zogezegd vrije wereld. Net vanwege haar eigen kortzichtigheid, slibben we er allemaal in vast. Neen, dacht ik, de terroristen vallen onze ‘waarden’ niet aan, we zijn gewoon massaal bezig aan zelfvernietiging omdat niemand onze waarden nog durft uit te voeren. Wie dat immers doet, pleegt, zoals Bart De Wever het zegt, politiek zelfmoord. Over Merkel zei hij deze week: ‘Ze heeft haar eigen graf gegraven, vraag is of ze er nu zelf in zal springen of iemand haar moet duwen.’

Ik wist dat, als ik naar de sociale media zou kijken, ik mijn idee van onze kortzichtigheid bevestigd zou zien. Het is er immers een exponent van. Ja, zonder SelfControl slaagde ik erin in een wijde boog om mijn pc heen te lopen, het was bijna een overwinning. Tot ik gisterenavond toch maar eens begon te scrollen. Sociale media, afgekort sm, had zijn afkorting niet gestolen. Ik zag hashtags en filters op profielfoto’s en ik dacht: ‘O, dat is het nieuws van de dag.’ De likes voor alle mensen die getuigden al eens in Parijs te zijn geweest en die dat dan steevast ‘bewezen’ met een foto erbij, het liefst een mooi bewerkte instagram. Jaja, daar had je de betrokkenheid. Als journalist had ik geleerd dat dat van cruciaal belang is voor een nieuwsfeit.

Ik moest weer huilen, het was intussen al middernacht en op mijn iPad, in een Worddocumentje, typte ik woedend: ‘Facebook is een kippenhok, iedereen loopt er rond, zonder kop, en kakelt maar wat. Als er iets (het is heel subjectief wat precies) gebeurt, gaan de diertjes even de lucht in en krijg je overal pluimen. Maar ook eieren. Veel en veel eieren. Iedereen legt er al jaren zijn ei en die dingen zijn aan het rotten. De geur is intussen niet meer te harden.’
Het was alsof ik ineens, met het zicht op de reacties op Parijs, inzag én kon verwoorden wat me zo ergerde. De ‘Picture or it didn’t happen’- mentaliteit. Mensen die de waarde van hun eigen belevenissen en herinneringen laten afhangen van het aantal likes dat ze ervoor krijgen. Ik hoor het van zovelen, mensen zijn écht verdrietig als ze iets leuks hebben beleefd, maar er op Facebook niet zoveel respons op kregen. Ik vind het niet verwerpelijk, ik vind het gewoon héél erg jammer dat het zo is. Mensen die hun profielfoto en status veranderen, ook in het kader van Parijs, en eigenlijk hopen dat een handvol mensen het toch leuk vindt en erop reageert. Er is geen verbondenheid op sociale media, alleen extreme eenzaamheid.
‘Vreselijk hoe mensen ongelukkig worden zonder feedback’, typte ik verder, ‘Vreselijk hoe mensen nu beginnen te kakelen, terwijl alles wat ze zouden moeten doen, zwijgen is. Echt zwijgen, en dus ook niet citeren over welk soort zwijgen dat dan moet zijn, want dan ben je weer aan het showen. Iedereen showt maar door, continu. Ik ben diep beschaamd over onze maatschappij, ik zie het allemaal heel somber in nu.’

Vanmorgen zag ik op Facebook de eerste reacties van enkele intellectuelen die, over de verlammende schok heen, inhoudelijke dingen begonnen te verspreiden. Er kwam nieuws over de aanslagen in Beirut die de Westerse media niet heeft gehaald, kwaadheid over de kortzichtigheid van Hollandes reactie. Dingen die ik allemaal heel erg apprecieer, maar die me toch ook weer een déjà-vu gevoel geven. Want zo gaat het nu eigenlijk altijd. Eerst is er een schok, dan zijn er harde woorden, dan is er kritiek op die harde woorden en uiteindelijk gebeurt er niets. De politiek is vastgeroest. Net als in het oude Rome zijn de machthebbers te dik en te pafferig geworden om overzicht te kunnen hebben. De dingen vervagen, het wordt weer vloed en dan weer eb en het dode kind is weer in zee gezogen.
Weet je, ik vraag me cynisch af wanneer we in de media het verhaal van ‘de held’ mogen lezen. De man (het zou me verbazen als het een vrouw is) die iets heldhaftigs gedaan heeft tijdens de terreurdaden van eergisteren. Een moslim misschien, net zoals bij Charlie Hebdo. En dan kunenn we onze naam en profielfoto veranderen in die van hem. Je suis…

En neen, ik schrijf dit niet omdat ik me plots superieur voel. Integendeel, ik voel me nederiger en machtelozer dan ooit. Wat ik schrijf, ervaar ik zelf als verwarrend en als ‘alles-door-elkaar’. Gewoon, omdat we altijd maar hetzelfde stramien ingaan, dezelfde molen, dezelfde hetze en dan weer overgaan naar de ‘orde’ van de dag. De nieuwe schoenen, de koffiekunst, het m’as-tu vu. Wie gaat het eerst zijn profielfoto weer ‘normaal’ maken? Ik ben benieuwd. Maar nogmaals, ik weet dat ik in dezelfde molen meedraai. Ik heb Facebook nog niet afgesloten hoewel ik er in de voorbije 40 uur 40 keer aan gedacht heb. Waarom? Misschien omdat ik onder al het slijk ook nog steeds op zoek ben naar onze ‘waarden’. Misschien omdat ik ook eenzaam ben.

Eenzaam, en extreem bedroefd.

Warneford gitaarconcert op 6/6

Op zaterdag 6 juni is het precies honderd jaar geleden dat de eerste zeppelin uit de lucht werd gehaald. Dat gebeurde door de Britse vliegenier Reginald Warneford in Gent. Het luchtschip stortte neer op het Groot Begijnhof in Sint-Amandsberg. We beleven het allemaal opnieuw met een prachtig concert met muzikanten van wereldklasse. En ik? Ik breng het verhaal in een zelfgeschreven monoloog. Wees erbij.

Kaarten bestel je via kurtdecorte@lutheriedecorte.be.

1964808_837485106346184_4131632797540772054_n

Meer info vind je op http://www.luchtschipontploftboven.gent

recensie in Meander ‘altijd een raam’

Sylvie Marie – Altijd een raam
Een appel die verschil maakt
Sylvie Marie
Altijd een raam
Uitgever: Vrijdag | Podium
Jaar: 2014
ISBN: 9789057596735
Prijs: € 16,50
64 blz.

Een appel is behalve lekker nog veel meer. Ik heb het weer gelezen. In een bundel die al dagen op mijn bureau ligt en die ik niet kan wegnemen:

appel

al dagen ligt een appel op het aanrecht,
ik kan hem niet wegnemen.

er staat een mand in de kast, daar past hij bij,
maar ik laat hem liever op het graniet
en beeld me in dat hij onderaan al krimpt.

ik wandel dagelijks tien keer in de keuken
aan de appel voorbij en ik zou meer
van de wereld moeten weten,
meedoen, vloeken, naar buiten.

maar zolang ik blijf, laat ik hem zijn,
nu nog is hij rond als de aarde,
ik, zijn satelliet.

als hij rot, ruk ik me los.
als ik me kan losrukken, gooi ik hem weg.

Wat gaat er in dit gedicht allemaal wel niet schuil achter de verboden vrucht! Inderdaad, van een gedicht dat nog in de maak is bij de dichter, tot een hele wereld: rond als de aarde als hij is. Sylvie Marie – want over haar nieuwe bundel Altijd een raam heb ik het – laat een appel een wereld van verschil maken!
‘Niet om te happen, maar om te snappen’ had er op een bordje naast de boom moeten staan: als Eva dat begrepen had was de vloekende ‘zondige’ wereld ook voor ons terra incognito gebleven. Helaas, het mocht niet zo zijn. En ja, onszelf beheersen is moeilijk wanneer we een obsessie hebben. De dichteres bedwingt zich nog een beetje, maar de lezer hapt toe. En trotseert de gevaren… De gevaren van fixatie. Wat valt daarover te zeggen?
Wie zich fixeert completeert met zijn bewustzijn in zekere zin het ding waarop het bewustzijn zich richt. Hoe groter de fixatie, hoe kleiner (nauwer) het bewustzijn. Bedenk ik bij mezelf. Even uitproberen… Ja, blindstarend ben ik er echt helemaal van overtuigd: de appel staat voor de toekomst (of wellicht voor ons lichaam), en de ‘ik’, zijn satelliet, is ons bewustzijn! Het harde graniet in de tweede strofe is een beeld voor de onherroepelijkheid van de tijd, die de toekomst (ons lichaam) laat verschrompelen. Hebbes! Geweldig! Nu stoppen!
Staan er nog meer goeie gedichten in deze bundel? Jawel:

zakdoek

mensen zijn niet voor elkaar gemaakt
als ze zeggen: je hebt zo’n mooie neus,
daar zou je iets mee moeten doen.

ik had je kunnen houden als je me zo nam
dat jij schelp werd, ik slak, we perfect sloten,
maar slijm was het enige wat kwam.

toch dacht ik bij je uitzwaaien
aan de zakdoek in mijn broek, het idee
een knoop te moeten leggen, die vast

te grijpen zodat telkens je verder trekt,
hij aanspant, ik me alles
almaar beter herinner.

Na de mooie neus in de eerste strofe kan het geen kwaad om te bedenken dat een schelp en een slak(kenhuis) als onderdelen van een oor kunnen worden opgevat (ja, ja, men moet daar een neus voor hebben). In de tweede strofe is er echter geen sprake van een oor en (dus) ook niet van oorsmeer. De slak en de schelp laten alleen ruimte voor ‘slijm’, en dat laat de ontmoeting zeker niet ‘gesmeerd’ verlopen… Maar de tegenstelling tussen ‘slijm’ en ‘smeer’ werkt wél gesmeerd: een gave illustratie van hoe een metafoor die alleen in de lucht hangt toch functioneert!
In de laatste twee strofen wordt deze miskleun van een date fraai verder uitgewerkt: het woordje ‘toch’, aan het begin van de derde strofe, zet de lezer even op het verkeerde been: alsof de ik-persoon toch iets voor de ‘je’ voelt. Maar dat blijkt ijdele hoop waar het woordje ‘als’, dat men zou verwachten na ‘telkens’ in de vierde strofe, schitterend is weggelaten: het is alleen de ervaring (de opgedane kennis), die door de ‘ik’ wordt gewaardeerd. Wellicht om zichzelf dergelijke ontmoetingen in de toekomst te besparen. Prachtig specimen van het kunnen van de dichteres, dit gedicht. Ondanks dat dunne breuklijntje dat stiekem loopt tussen de eerste en de tweede helft; die zoals een neus en een zakdoek bij elkaar horen, dat wel.

Heel mooi is:

slaapliedje

leg gerust je volle lengte neer.
je arm mag onder die van mij, je benen
rondom de mijne gestrengeld en ik
kan zelfs je hand in mijn hand
aan. het is heet, maar niet zo heet dat ik je wil
lossen en de nacht is zacht, maar ook hard zwart.
jij, ik, we hebben enkelvouden te delen,
het bed, de hitte, het duister. vreemd,
we houden zo veel over.

Voor wie denkt dat dit niet veel om het lijf heeft: dat klopt (ook). Plakkerig sfeertje: twee mensen die tegen elkaar liggen tijdens een zwoele nacht. Gaat het over liefde (seks)? Het lijkt er even op, maar ‘het is heet, maar niet zo heet dat ik je wil…’ neemt in de volgende regel een andere wending. Nee, met die enkelvouden verderop is dit meer een gedicht over de onmogelijkheid dan de mogelijkheid om iets met elkaar te delen.
Voor wie meer wil lezen dan er staat – en wie wil dat niet – is het einde van de tweede zin interessant: ‘ik kan zelfs je hand in mijn hand aan’. Dat lees ik met een flinke dosis fixatie en enige fantasie als: ik kan zelfs je hand, terwijl die zich in mijn hand bevindt, aan (als een handschoen!). Natuurlijk heeft ‘aan kunnen’ hier vooral ook die andere voor ‘de hand’ liggende betekenis van ‘ertegen kunnen’, maar een hand die tegelijkertijd in en om (en dus buiten) een andere hand zit, raakt wel aan de kern van dit gedicht (en misschien van de hele bundel), die de paradoxale opgave stelt van elke relatie: want hoe kunnen we onze verschillen delen? Hoe zit dat met die eenheid die zich als een dualiteit presenteert?

Goeie gelegenheid om mijn fixatie te botvieren. Wat als ‘jij’ en ‘ik’ helemaal niet twee mensen zijn, maar zoals in het appel-gedicht weer lichaam en geest (bewustzijn)? Natuurlijk, ik weet het: de geest bestaat helemaal niet: enkel een handige constructie van ons brein, een praktisch homunculusnusje (bla, bla, bla). Maar toch, even (het is maar een gedachte): wat als de geest wél zou bestaan en als een ‘ik’ in dit gedicht zijn relatie met het lichaam becommentarieert? Legt dan niet het lichaam zich in zijn volle lengte neer, zoals het leven zich in de tijd uitstrekt? En ‘bewoont’ dan niet, zoals in ‘Het Veer’ van Martinus Nijhoff, het lichaam de geest, omdat de geest zich misschien verder in de tijd kan uitstrekken dan het lichaam? Allemaal verbeelding natuurlijk, maar in deze bundel met zoveel binnens en buitens geen onmogelijkheid. De hitte van het lichaam en het duister van de dood en van de geest…(wauw!) Het is maar hoe gefixeerd je bent – hoe je bent gefixeerd. En tenslotte is daar nog die andere dualiteit: die van taal en werkelijkheid.

Taal is een wonder, waarin dingen kunnen die praktisch niet kunnen. Dat maakt taal een beetje een wereld op zichzelf: een wereld apart van de ‘echte’ wereld. Juan Ramon Jiménez schreef in het Spaans al dat onze gedachten (onze woorden) meer ons thuisland zijn dan de wereld zelf. Ook andere dichters lopen (heel) soms tegen de grens tussen die beide aan: Sylvie Marie in dit één na laatste gedicht van haar bundel?

het laatste wat ik van haar zag,
was haar hand.

of neen, niet eens haar hand was het
die uit het treinraam zwaaide,
het was haar hand met schoen omheen,
hoes van dik katoen en wol.

ik kon al haar vingers bedenken:
een voor een, en toch ook niet.
haar echte hand werd het nooit.

altijd bleef het iets anders,
een boog met snuit,
een want.

Alleen al door deze grens te naderen levert de dichteres een grote prestatie. Nooit zullen we de wereld helemaal begrijpen, zullen we haar precies vatten in de taal, die niet hand in hand, maar hand in want meegaat. ‘Het’ ontglipt ons waar de taal van verschilt en waar ze uiteindelijk ook alleen maar een want is, een verlangen: het uiterst bereikbare.

***
Sylvie Marie (Tielt, 1984) debuteerde met Zonder (2009). Haar tweede bundel Toen je me ten huwelijk vroeg (2011) werd genomineerd voor de Herman de Coninckprijs, de J.C. Bloemprijs en de Eline van Haarenprijs.
Site: http://www.sylviemarie.be/

Expo(sure) #2: Where the wild flowers grow

Wekelijks wordt deze rubriek alvast niet. 2014 is een jaar dat me opslokt in kortetermijndeadlines, het voelt raar, maar ik doe mijn best om… Ah, er is een cursus fotografie, dat wel. Ik zal proberen om in die weken alvast telkens mijn beste foto te delen. Deze heeft de titel Where the wild flowers grow, naar een lied van Nick Cave en Kylie Minogue (dat wel ‘where the wild rosse grow’ heet, maar dat paste hier niet).

13955962565194