Literair Nederland recenseert Houdingen

Het Koplandsiaans minuscule is de kracht in deze bundel

Recensie door André van Dijk
Schermafbeelding 2018-03-26 om 12.12.04
De Vlaamse dichter Sylvie Marie brengt in haar nieuwste bundel Houdingen grote bewegingen van het gemoed terug naar uiterst kleine beschrijvingen. Met de zorgvuldigheid van een horlogemaker weet ze minimale woordconstructies samen te stellen die een wereld van verborgen drama ontsluiten. In het eerste deel ‘Toestanden’ wordt in drie gedichten de basis gelegd voor het verdere verloop. Een niet vrolijkstemmend vers dat begint met: ‘veel vaker dan ik wil, wacht ik op bloed, / slijt er dagen aan (…)’Of het tweede gedicht dat aanvangt met: ‘terwijl we weer vrijen schuift een kleine, / bange rat onder de deken (…)’
Het derde gedicht in het deel ‘Toestanden’ laat de huidige situatie zien: ‘los als vandaag liggen we / almaar vaker. lakens scheuren / langs de drift van onze continenten. (…)’

In metaforische schetsen laat Sylvie Marie een somber beeld zien van een vrouw in een ongelukkige toestand. Vreemd genoeg wordt die somberte nergens echt tastbaar, omdat de dichter zo omfloerst mogelijk haar taal behandelt. Geen grote woorden, geen drang naar heftige conclusies, maar slechts lichte aanrakingen die de tragiek benoemen en die tegelijkertijd bedekken onder een deken van vloeiende regels. Dat maakt de zwaarte eerst draaglijk, gevangen in schoonheid, maar bij herlezing van de verzen komt zij steeds harder binnen.

Het tweede deel ‘Houdingen’ is een uiteenzetting van de verschillende stadia waarin de vrouw zich bevindt. Haar wezen uit zich in een reeks gedichten over eenzaamheid, verlatenheid en het verlangen naar liefde. Met een treurig zelfbeeld als dieptepunt, waarmee ze zichzelf de maat neemt:

ik kan dat niet, de vrouw uithangen,
wijd en traag ben ik, was ik
hout, dan had ik brede groeven, lomp
val ik als omgehakt, ik kraak mijn takken stug.
het is ook altijd winter hier. (…)

Het drama wordt alleen maar groter als er over pillen gedicht gaat worden. Hier wordt de loodzware boodschap ook allereerst verpakt in prachtige zinnetjes die heel gedetailleerd beschrijven hoe zo’n proces in zijn werk gaat. De ernst van de zaak lijkt voor zichzelf te spreken, maar neemt aan het eind van het vers een wending als er iets te nadrukkelijk verwezen wordt naar een andere functie van de pillen:

om kalm te blijven druk ik
geconcentreerd de pillen uit een strip

en meer nog dan het doel van die dingen,
gaat het om het drukken, zorgvuldig,
de beide duimen voorwaarts
en de nagels tegen elkaar.

dan het zilvervlies dat knapt,
het plastic dat ineenstuikt
als een bolle buik tenietgedaan met een veeg
van tafel, brekend water, spanning die lost,
de pil die in mijn palm valt, achteloos
als een kinderhoofdje.

Dood en nieuw leven, beiden door de dichter aangeraakt in een omhulsel van lastige relationele kwesties. Voor een hele bundel is dat iets teveel van het goede, maar Sylvie Marie komt ermee weg omdat haar sprankelende en precieze stijl het lezen tot een bijzonder avontuur maakt. De tragiek mag dan verpakt zijn in té opgelegde metaforen, zinnen als: ‘de nacht is een kofferbak, waarin ik klaarlicht liggen moet’ zijn kleine pareltjes waarin de subtiele alliteratie een groot effect teweegbrengt.

In het laatste deel ‘Uitkomsten’ wordt in één gedicht de zogenaamde uitkomst van alle misère toegelicht. Hier blijft weinig te raden over: goed geschreven maar veel te expliciet verwijzend naar een goede afloop. Terwijl nog geprobeerd wordt de boodschap te verdoezelen, spreekt de verzuchting van de dichter boekdelen: ‘jij liet niets vallen,/ jij hebt iets neergezet.’
Het dichterschap van Sylvie Marie is vooral af te lezen aan de kleinheid van haar verzen, waarbij ze soms de verbeelding te letterlijk laat plaatsvinden. Het haast Koplandsiaanse minuscule – tot in detail een grote beweging beschrijven en daar zo min mogelijk woorden aan vuil maken – is haar grote kracht. Dat wordt benadrukt door het beste gedicht uit deze bundel:

we zouden kunnen gaan zitten
in een koffiekopje.

je weet wel,
een klassiek,
met schuine wanden,
zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.

geen mok, dat niet.
geen grote cilinder
met platte bodem

maar zo’n kleintje,
bol.

misschien dat we daarin
moeten investeren:
van alle kamers kopjes maken.

Trouw recenseert Houdingen

De gedichten van de Vlaamse Sylvie Marie zijn klein en intiem

CULTUUR

Janita Monna 

Janita Monna schrijft wekelijk over poëzie voor Trouw. © Maartje Geels
POËZIE

Al meer dan een decennium draait ze mee in de poëzie: de Vlaamse Sylvie Marie. Vier goed ontvangen bundels staan er inmiddels op haar naam. Ze is gevestigd, zou je kunnen zeggen, al heeft haar werk nog altijd iets jongs.

U krijgt 5 artikelen van Trouw cadeau. Dit is nummer 1 .

Onbeperkt onze artikelen lezen? Digitaal Basis € 2.50 per week.

‘Houdingen’ verscheen onlangs, twee grillig getekende figuren op het omslag. Ze pakken elkaar vast bij het hoofd. Ongeveer zoals Marie beschrijft tegen het eind van de bundel: “het doet deugd wanneer je gewoon / mijn hoofd vastpakt: / je handen als schelpen / om mijn oren – het ruisen horen – / en je duimen aan mijn mond.”

Het is klein en intiem, zoals veel gedichten van Sylvie Marie dicht bij huis blijven. Ze cirkelen rond een ‘ik’ en een ‘je’, die soms ‘we’ worden. In eenvoudige, spreektalige zinnen die voorzichtig bijeengehouden worden door klank, wordt een wereld opgetrokken waarin weinig beweging te bespeuren is, die soms zelfs stilstaat. Zoals in het openingsgedicht van de bundel, met het krachtige begin: ‘veel vaker dan ik wil, wacht ik op bloed’.

Die toestand van stilstand laat Marie haast vertraagd verglijden naar toenadering en uiteindelijk verwijdering.

Toestanden van verlies

‘Houdingen’, de afdeling waar de bundel zijn titel aan ontleent, onderzoekt de ‘toestanden van verlies’. Wat gebeurt er bijvoorbeeld met een vaas als de bloemen verdorren? Wat gebeurt er met de achterblijver? Die kan verlangen naar verzorging, of in een soort apathie verzinken, binnenskamers televisie kijken, zappend langs ‘sitcoms, disney’, zo het harde nieuws op afstand houdend: “soms hoor ik over aanslagen, / soms ontploft er iets, / het is niet mijn kop thee.”

Marie heeft een fijn gevoel voor openingszinnen. Huiveringwekkende: ‘vroeger zag ik moeder vaker varkens de kop in slaan’; beeldende: ‘de nacht is een kofferbak’; intrigerende: ‘en dan ineens de wens de mens / te vinden die als eerste de leugen bracht’.

Maar het lukt niet altijd om de geladenheid van die eerste woorden in de rest van het gedicht vast te houden. En soms, zoals hierboven, is het spel met taal, vertaling en de daaruit vloeiende dubbelzinnigheid, gemakzuchtig. Nu en dan ook ligt de symboliek er bovenop. Dan duiken in een precieze beschrijving van het doordrukken van een pillenstrip, woorden op als ‘bolle buik’, ‘brekend water’, ‘kinderhoofdje’ – wordt hier dan niet zomaar een pilletje geslikt, wordt een zwangerschap voorkomen?

Toch slaagt Marie er op andere momenten in om haar bijna moeiteloos verwoorde houdingen een onverwachte, donkere toon te geven, wordt verlies een toestand die nooit overgaat: “trek terug, / de knieën tot onder de kin, armen / als vleugels eromheen. (…) // er zijn veel mensen die zo jarenlang/ in kelders zitten”.

De ‘ik’ veert uiteindelijk terug, ‘ontwaakt’ en hoort het bloed waarop gewacht werd ruisen, als de zee.

Geslaagd zijn de momenten waarop Marie’s verstilde regels even schuren. Maar dat duurt in ‘Houdingen’ nooit erg lang.

trek terug,

de knieën tot onder de kin, armen

als vleugels eromheen.

in deze houding kun je jezelf wiegen,

gebruik je de voeten optimaal,

rol ze af van hiel naar teen en terug.

er zijn veel mensen die zo jarenlang

in kelders zitten, ze rennen

hun eigen armen in, rollen zich op

als foetussen binnen de wand.

ze worden geboren

en plooien dan weer terug.

Sylvie Marie
Houdingen
Vrijdag; 56 blz. € 16,50

Janita Monna schrijft wekelijks over poëzie voor Trouw

recensie ‘Altijd een Raam’ in Passionate Magazine

Een innerlijke reis

‘Sylvie Marie (1984) is een dichter die het geluk niet schuwt – omdat ze het niet helemaal lijkt te vertrouwen,’ meldde het juryrapport van de J.C. Bloemprijs bij de nominatie van haar tweede bundel Toen je mij ten huwelijk vroeg. Een vreemde paradox, maar treffend voor haar verwonderde poëzie, die een ogenschijnlijk kinderlijke eenvoud van waarnemen vermengt met even scherpe als onverwachte tekstuele wendingen. In de nieuwe bundel Altijd een raam wordt het perspectief van dit waarnemen bepaald door vensterglas, waarbij we beurtelings van binnen naar buiten schouwen, en van buiten naar binnen. Hoewel er een hunkering voelbaar is naar wat zich aan gene zijde van het glas bevindt, doen de woorden vooral spreken van een diepe innerlijke beleving:

we zitten aan tafel bij de lamp en we schrijven.
het sneeuwt al dagen, we kunnen niet weg.
telkens wanneer we door het raam kijken,
legt laag zich op laag, wit op wit, de bomen graaien
zich als dode handen een weg naar boven.

we zitten, maar het blad blijft leeg.
we laten onze pen al dagen millimeters
boven het papier zweven terwijl we elkaar begluren.
we doen goed alsof, schrijven wit op wit
met dode handen, we tellen nu geen lagen meer.

Het verinnerlijkte schrijfproces gevat in een metafoor die lege taal weerspiegelt, omdat deze steeds weer nieuw is. Grote gebeurtenissen van het leven worden verstaanbaar gemaakt als een delicaat kleinood, en de alledaagsheid als iets met een bijzondere glans.

op de foto in de kerk kijk je alsof je
net een mop hebt verteld,
die flauwe dat je kaal bent, maar toch een haar in de boter vindt.

eenmaal buiten in de stoet tel ik de lege plekken in de berm,
het zijn er zesendertig en jouw leeftijd werd het nooit.

Tedere en liefdevolle registraties van genegenheid wisselen elkaar in de gedichten af met die van het gemis eraan, zoals in het verstilde ‘daver’, dat het verlies van een vader zintuiglijk voelbaar maakt:

zijn overalls hangen aan de haak
schoenen staan
aan de achterdeur, in de auto is zijn
geur
niet de geur van hij die hier ligt. wat
klopt
is nergens te vinden.

Met het grootste gemak bestaan deze uitingen van fragiele schoonheid en (aan)geraakt Zijn, naast ongrijpbaarder teksten, zoals in het gedicht ‘morsecode’, met koekkruimels als metafoor voor menselijke dialoog, of ‘ict’ dat (inter)menselijke gevoelsbeleving beschrijft:

ik ontdekte bij een zelfscan dat ik een pacemaker heb.

koper vond ik, plastic draden, verbonden met nog meer draden
die naar brievenbussen leiden, postvakken in, apps en apparaten
die in mij hart hun ritme pompen.

Zelfs het bijkans banale ‘welkom in onze flat’ en ‘na de inbraak’ bieden geïnspireerde taal en ademen eenzelfde sfeer van verwondering:

zo stellen we stilaan
een inventaris op, maken de som
van kale plekken op tafels en in lades

Lau Tze schreef: ‘Mijn huis niet uitgaande ken ik de wereld’, daarmee in overweging gevend dat de werkelijke reis zich – vensters niet uitziende – vanbinnen voltrekt. Altijd een raam is een bundel die we wat tijd mogen gunnen om zijn ware gelaagdheid te tonen. Een die uitnodigt tot herlezen en naar binnen schouwen – bezielde poëzie die woorden aanreikt om te proeven en waaraan de eigen waarneming herijkt kan worden.

binnen was taal gebroken,
rinkelend porselein

we hadden hete koffie
willen veinzen, maar we wisten
wat aan alles komt

Marc Brester

Sylvie Marie, Altijd een raam
paperback, 60 blz, € 16,50
Podium, ISBN 978 90 5759 673 5

Link naar de recensie: http://www.passionateplatform.nl/Lezen/Categorieën/Artikeldetail/tabid/89/Article/eeninnerlijkereis/Default.aspx